Job 30:20

Statenvertaling (States Bible)

Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 19:7 : 7 Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
  • Job 27:9 : 9 Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
  • Ps 22:2 : 2 Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
  • Ps 80:4-5 : 4 O God! breng ons weder, en laat Uw aanschijn lichten, zo zullen wij verlost worden. 5 O HEERE, God der heirscharen! hoe lang zult Gij roken tegen het gebed Uws volks?
  • Klaagl 3:8 : 8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
  • Klaagl 3:44 : 44 Samech. Gij hebt U met een wolk bedekt, zodat er geen gebed doorkwam.
  • Matt 15:23 : 23 Doch Hij antwoordde haar niet een woord. En Zijn discipelen, tot Hem komende, baden Hem, zeggende: Laat haar van U; want zij roept ons na.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 19:7-8
    2 verzen
    80%

    7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

    8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.

  • 19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

  • Job 30:21-22
    2 verzen
    80%

    21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.

    22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

  • Ps 22:1-2
    2 verzen
    78%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.

    2Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?

  • 8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.

  • 28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.

  • Ps 28:1-2
    2 verzen
    76%

    1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.

    2Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.

  • 8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.

  • 22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.

  • 2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.

  • 6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.

  • 56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.

  • 1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.

  • 41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.

  • 16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.

  • 1O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?

  • 16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.

  • 2Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.

  • 16Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.

  • 10Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?

  • 1Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.

  • 42Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.

  • 24Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;

  • 28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;

  • 4Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.

  • Job 30:24-25
    2 verzen
    72%

    24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?

    25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?

  • 1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.

  • 2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.

  • 7Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.

  • 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

  • 1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!

  • 1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.

  • 72%

    2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.

  • 1Davids psalm, voor den opperzangmeester.

  • 22HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.

  • 14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

  • 1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.

  • 12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.

  • 19Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

  • 12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?