Job 30:20
Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.
Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.
8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.
21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.
22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar.
2Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
28Ik ga zwart daarheen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in de gemeente.
1Een psalm van David. Tot U roep ik, HEERE! mijn Rotssteen, houd U niet als doof van mij af; opdat ik niet, zo Gij U van mij stil houdt, vergeleken worde met degenen, die in den kuil nederdalen.
2Hoor de stem mijner smekingen, als ik tot U roep, als ik mijn handen ophef naar de aanspraakplaats Uwer heiligheid.
8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
16Ik riep mijn knecht, en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijn mond tot hem.
1O HEERE! waarom staat Gij van verre? waarom verbergt Gij U in tijden van benauwdheid?
16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.
2Ik zal U verhogen, HEERE, want Gij hebt mij opgetrokken, en mijn vijanden over mij niet verblijd.
16Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.
10Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?
1Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.
42Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
24Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
4Als mijn geest in mij overstelpt was, zo hebt Gij mijn pad gekend. Zij hebben mij een strik verborgen op den weg, dien ik gaan zou.
24Maar Hij zal tot een aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijn verdrukking?
25Weende ik niet over hem, die harde dagen had? Was mijn ziel niet beangst over den nooddruftige?
1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
7Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
1Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.
2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
1Davids psalm, voor den opperzangmeester.
22HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; HEERE! wees niet verre van mij.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.
1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.
12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
19Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?