Job 7:12

Statenvertaling (States Bible)

Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 7:17 : 17 Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
  • Job 38:6-9 : 6 Waarop zijn haar grondvesten nedergezonken, of wie heeft haar hoeksteen gelegd? 7 Toen de morgensterren te zamen vrolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten. 8 Of wie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam? 9 Toen Ik de wolk tot haar kleding stelde, en de donkerheid tot haar windeldoek; 10 Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; 11 En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
  • Job 41:1-9 : 1 Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou? 2 Wie heeft Mij voorgekomen, dat Ik hem zou vergelden? Wat onder den gansen hemel is, is het Mijne. 3 Ik zal zijn leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte, noch de bevalligheid zijner gestaltenis. 4 Wie zou het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zou met zijn dubbelen breidel hem aankomen? 5 Wie zou de deuren zijns aangezichts opendoen? Rondom zijn tanden is verschrikking. 6 Zeer uitnemend zijn zijn sterke schilden, elkeen gesloten als met een nauwdrukkend zegel. 7 Het een is zo na aan het andere, dat de wind daar niet kan tussen komen. 8 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden. 9 Elk een zijner niezingen doet een licht schijnen; en zijn ogen zijn als de oogleden des dageraads. 10 Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit. 11 Uit zijn neusgaten komt rook voort, als uit een ziedende pot en ruimen ketel. 12 Zijn adem zou kolen doen vlammen, en een vlam komt uit zijn mond voort. 13 In zijn hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op. 14 De stukken van zijn vlees kleven samen; elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen. 15 Zijn hart is vast gelijk een steen; ja, vast gelijk een deel van den ondersten molensteen. 16 Van zijn verheffen schromen de sterken; om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich. 17 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantsier. 18 Hij acht het ijzer voor stro, en het staal voor verrot hout. 19 De pijl zal hem niet doen vlieden, de slingerstenen worden hem in stoppelen veranderd. 20 De werpstenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans. 21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk. 22 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot; hij stelt de zee als een apothekerskokerij. 23 Achter zich verlicht hij het pad; men zou den afgrond voor grijzigheid houden. 24 Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen. 25 Hij aanziet alles, wat hoog is, hij is een koning over alle jonge hoogmoedige dieren. 26 27 28 29 30 31 32 33 34
  • Klaagl 3:7 : 7 Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.
  • Ezech 32:2-3 : 2 Mensenkind! hef een klaaglied op over Farao, den koning van Egypte, en zeg tot hem: Gij waart een jongen leeuw onder de heidenen gelijk; en gij waart als een zeedraak in de zeeen, en braakt voort in uw rivieren, en beroerdet het water met uw voeten, en vermodderdet hunlieder rivieren. 3 Alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal daarom Mijn net over u uitspreiden door een vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in Mijn garen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

  • 13Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;

  • Job 7:17-21
    5 verzen
    77%

    17Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?

    18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?

    19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?

    20Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

    21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • Jona 2:3-5
    3 verzen
    76%

    3Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.

    4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.

    5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.

  • 19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

  • 14En waarom zoudt Gij de mensen maken, als de vissen der zee, als het kruipend gedierte, dat geen heerser heeft?

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

  • 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  • Job 7:3-4
    2 verzen
    73%

    3Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.

    4Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.

  • 73%

    6Want in de dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?

  • Job 10:6-7
    2 verzen
    73%

    6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

    7Het is Uw wetenschap, dat ik niet goddeloos ben; nochtans is er niemand, die uit Uw hand verlosse.

  • 7O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.

  • Job 10:16-18
    3 verzen
    72%

    16Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.

    17Gij vernieuwt Uw getuigen tegenover mij, en vermenigvuldigt Uw toorn tegen mij; verwisselingen, ja, een heirleger, zijn tegen mij.

    18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

  • 7Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.

  • 16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

  • 8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  • Job 10:1-2
    2 verzen
    72%

    1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

    2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • 7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 16Maar nu telt Gij mijn treden; Gij bewaart mij niet om mijner zonden wil.

  • 4Dacht ik aan God, zo maakte ik misbaar; peinsde ik, zo werd mijn ziel overstelpt. Sela.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 1Niemand is zo koen, dat hij hem opwekken zou; wie is dan hij, die zich voor Mijn aangezicht stellen zou?

  • 14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

  • 20Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.

  • 7Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.

  • 3Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulieder ogen?

  • 18Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.

  • 28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • 15Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijn haters, en uit de diepten der wateren.