Psalmen 88:7

Statenvertaling (States Bible)

Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 42:7 : 7 O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.
  • Ps 90:7 : 7 Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.
  • Ps 102:10 : 10 Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.
  • Jona 2:3 : 3 Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.
  • Joh 3:36 : 36 Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
  • Rom 2:5-9 : 5 Maar naar uw hardigheid, en onbekeerlijk hart, vergadert gij uzelven toorn als een schat, in den dag des toorns, en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods. 6 Welke een iegelijk vergelden zal naar zijn werken; 7 Dengenen wel, die met volharding in goeddoen, heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven; 8 Maar dengenen, die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam, doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden worden; 9 Verdrukking en benauwdheid over alle ziel des mensen, die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;
  • 1 Petr 2:24 : 24 Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het hout; opdat wij, der zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door Wiens striemen gij genezen zijt.
  • Opb 6:16-17 : 16 En zeiden tot de bergen en tot de steenrotsen: Valt op ons, en verbergt ons van het aangezicht Desgenen, Die op den troon zit, en van den toorn des Lams. 17 Want de grote dag Zijns toorns is gekomen, en wie kan bestaan?
  • Job 6:4 : 4 Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
  • Job 10:16 : 16 Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt Gij mij; Gij keert weder en stelt U wonderlijk tegen mij.
  • Ps 32:4 : 4 Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.
  • Ps 38:1 : 1 Een psalm van David, om te doen gedenken.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 88:14-17
    4 verzen
    83%

    14Maar ik, HEERE! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den morgenstond.

    15HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij?

    16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

    17Uw hittige toornigheden gaan over mij; Uw verschrikkingen doen mij vergaan.

  • Jona 2:3-5
    3 verzen
    81%

    3Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeen, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen.

    4En ik zeide: Ik ben uitgestoten van voor Uw ogen; nochtans zal ik den tempel Uwer heiligheid weder aanschouwen.

    5De wateren hadden mij omgeven tot de ziel toe, de afgrond omving mij; het wier was aan mijn hoofd gebonden.

  • 7O mijn God! mijn ziel buigt zich neder in mij, daarom gedenk ik Uwer uit het land van de Jordaan, en Hermon, uit het klein gebergte.

  • 6Afgezonderd onder de doden, gelijk de verslagenen, die in het graf liggen, die Gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van Uw hand.

  • Ps 88:8-9
    2 verzen
    79%

    8Uw grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al Uw baren. Sela.

    9Mijn bekenden hebt Gij verre van mij gedaan, Gij hebt mij hun tot een groten gruwel gesteld; ik ben besloten, en kan niet uitkomen.

  • 2 Sam 22:5-6
    2 verzen
    76%

    5Want baren des doods hadden mij omvangen; beken Belials verschrikten mij.

    6Banden der hel omringden mij; strikken des doods bejegenden mij.

  • 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

  • Ps 38:1-2
    2 verzen
    75%

    1Een psalm van David, om te doen gedenken.

    2O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 4Want Uw hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.

  • 46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

  • Job 30:21-22
    2 verzen
    73%

    21Gij zijt veranderd in een wrede tegen mij; door de sterkte Uwer hand wederstaat Gij mij hatelijk.

    22Gij heft mij op in den wind; Gij doet mij daarop rijden, en Gij versmelt mij het wezen.

  • 3Laat mijn gebed voor Uw aanschijn komen; neig Uw oor tot mijn geschrei.

  • Ps 143:3-4
    2 verzen
    72%

    3Want de vijand vervolgt mijn ziel, hij vertreedt mijn leven ter aarde; hij legt mij in duisternissen, als degenen, die over lang dood zijn.

    4Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

  • 12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

  • 2Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

  • 54Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide: Ik ben afgesneden!

  • 7Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.

  • Ps 55:3-4
    2 verzen
    72%

    3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;

    4Om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des goddelozen; want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

  • Job 16:7-8
    2 verzen
    72%

    7Gewisselijk, Hij heeft mij nu vermoeid; Gij hebt mijn ganse vergadering verwoest.

    8Dat Gij mij rimpelachtig gemaakt hebt, is tot een getuige; en mijn magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

  • 4Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

  • 71%

    21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

    22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

  • 3De rivieren verheffen, o HEERE! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.

  • 12Gij, o HEERE! zult Uw barmhartigheden van mij niet onthouden; laat Uw weldadigheid en Uw trouw mij geduriglijk behoeden.

  • 9O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.

  • 7Gimel. Hij heeft mij toegemuurd, dat ik er niet uit gaan kan; Hij heeft mijn koperen boeien verzwaard.

  • 17Vau. En Gij hebt mijn ziel verre van den vrede verstoten, ik heb het goede vergeten.

  • 2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 4Er is niets geheels in mijn vlees, vanwege Uw gramschap; er is geen vrede in mijn beenderen, vanwege mijn zonde.

  • 13Mem. Van de hoogte heeft Hij een vuur in mijn beenderen gezonden, waarover Hij geheerst heeft; Hij heeft voor mijn voeten een net uitgebreid, Hij heeft mij achterwaarts doen keren, Hij heeft mij woest en ziek gemaakt den gansen dag.

  • 43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

  • 19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?

  • 16Daarom stort zich nu mijn ziel in mij uit; de dagen des druks grijpen mij aan.

  • 3Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HEERE; mijn hand was des nachts uitgestrekt, en liet niet af; mijn ziel weigerde getroost te worden.

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?