Psalmen 38:1

Statenvertaling (States Bible)

Een psalm van David, om te doen gedenken.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 6:1 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
  • Heb 12:5-9 : 5 En gij hebt vergeten de vermaning, die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijkt niet, als gij van Hem bestraft wordt; 6 Want dien de Heere liefheeft, kastijdt Hij, en Hij geselt een iegelijken zoon, die Hij aanneemt. 7 Indien gij de kastijding verdraagt, zo gedraagt Zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er, dien de vader niet kastijdt?) 8 Maar indien gij zonder kastijding zijt, welke allen deelachtig zijn geworden, zo zijt gij dan bastaarden, en niet zonen. 9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleses wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen hen; zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven? 10 Want genen hebben ons wel voor een korten tijd, naar dat het hun goed dacht, gekastijd; maar Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijner heiligheid zouden deelachtig worden. 11 En alle kastijding als die tegenwoordig is, schijnt geen zaak van vreugde, maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich een vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen, die door dezelve geoefend zijn.
  • Ps 70:1 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.
  • Jes 54:8 : 8 In een kleinen toorn heb Ik Mijn aangezicht van u een ogenblik verborgen; maar met eeuwige goedertierenheid zal Ik Mij uwer ontfermen, zegt de HEERE, uw Verlosser.
  • Jer 10:24 : 24 Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.
  • Jer 30:11 : 11 Want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te verlossen; want Ik zal een voleinding maken met al de heidenen, waarhenen Ik u verstrooid heb; maar met u zal Ik geen voleinding maken; maar Ik zal u kastijden met mate, en u niet gans onschuldig houden.
  • Hab 3:2 : 2 HEERE! als ik Uw rede gehoord heb, heb ik gevreesd; Uw werk, o HEERE! behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden der jaren; in den toorn gedenk des ontfermens.
  • Ps 88:7 : 7 Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
  • Ps 88:15-16 : 15 HEERE! waarom verstoot Gij mijn ziel, en verbergt Uw aanschijn voor mij? 16 Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.
  • Jes 27:8 : 8 Met mate hebt Gij met hem getwist, wanneer Gij hem wegstiet; als Hij hem wegnam door Zijn harden wind, in den dag des oostenwinds.
  • Deut 9:19 : 19 Want ik vreesde vanwege den toorn en de grimmigheid waarmede de HEERE zeer op ulieden vertoornd was, om u te verdelgen; doch de HEERE verhoorde mij ook op dat maal.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 6:1-2
    2 verzen
    93%

    1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.

    2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

  • Ps 38:2-3
    2 verzen
    80%

    2O HEERE! straf mij niet in Uw groten toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid.

    3Want Uw pijlen zijn in mij gedaald, en Uw hand is op mij nedergedaald.

  • 24Kastijd mij, HEERE! doch met mate; niet in Uw toorn, opdat Gij mij niet te niet maakt.

  • 10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

  • 11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;

  • 18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

  • 18Omdat er grimmigheid is, wacht u, dat Hij u misschien niet met een klop wegstote; zodat u een groot rantsoen er niet zou afbrengen.

  • 8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.

  • 21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.

  • 2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • 24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.

  • 15O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.

  • 23Doch Gij, HEERE! weet al hun raad tegen mij ten dode; maak geen verzoening over hun ongerechtigheid, en delg hun zonde niet uit van voor Uw aangezicht; maar laat hen nedergeveld worden voor Uw aangezicht; handel alzo met hen, ten tijde Uws toorns.

  • 31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.

  • 73%

    42Nun. Wij hebben overtreden, en wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt Gij niet gespaard.

    43Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt, en Gij hebt ons vervolgd; Gij hebt ons gedood, Gij hebt niet verschoond.

  • 11Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.

  • 8He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.

  • 21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

  • 16Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik draag Uw vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

  • 7Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.

  • 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

  • 1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.

  • 34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

  • 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

  • 20Resch. Aanzie, HEERE, want mij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

  • 11Verberg Uw aangezicht van mijn zonden, en delg uit al mijn ongerechtigheden.

  • 4Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?

  • 14Dewijl ik den gansen dag geplaagd ben, en mijn straffing is er alle morgens.

  • 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  • 46Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

  • 13Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.

  • 18Want ik ben tot hinken gereed, en mijn smart is steeds voor mij.

  • 5De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.

  • Ps 38:14-15
    2 verzen
    71%

    14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.

    15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.

  • 9Verberg Uw aangezicht niet voor mij, keer Uw knecht niet af in toorn; Gij zijt mijn Hulp geweest, begeef mij niet, en verlaat mij niet, o God mijns heils!

  • 21Als mijn hart opgezwollen was, en ik in mijn nieren geprikkeld werd,

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 12HEERE! zoudt Gij U over deze dingen inhouden, zoudt Gij stilzwijgen, en ons zozeer bedrukken?

  • 16HEERE! in benauwdheid hebben zij U bezocht; zij hebben hun stil gebed uitgestort, als Uw tuchtiging over hen was.

  • 21Gij scheldt de vervloekte hovaardigen, die van Uw geboden afdwalen.

  • 13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. [ (Psalms 39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij. ]

  • 9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.

  • 10Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.

  • 22Want zoudt Gij ons ganselijk verwerpen? Zoudt Gij zozeer tegen ons verbolgen zijn?