Psalmen 39:8
En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.
7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.
13Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.
9Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.
10Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.
20Schin. Bewaar mijn ziel, en red mij; laat mij niet beschaamd worden, want ik betrouw op U.
13Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.
14Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.
5Want mijn ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
1Doe mij recht, o God! en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertieren volk, van den man des bedrogs en des onrechts.
9Red mij, HEERE! van mijn vijanden; bij U schuil ik.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
1Een psalm van David, om te doen gedenken.
2Red mij door Uw gerechtigheid, en bevrijd mij; neig Uw oor tot mij, en verlos mij.
9Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; was mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.
22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
23Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?
21En die kwaad voor goed vergelden, staan mij tegen, omdat ik het goede najaag.
22Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den gansen dag.
24Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.
8Toen zeide David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zaak gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad Uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld.
15Maar ik vertrouw op U, o HEERE! Ik zeg: Gij zijt mijn God.
14Maar mij aangaande, mijn gebed is tot U, o HEERE; er is een tijd des welbehagens, o God! door de grootheid Uwer goedertierenheid; verhoor mij door de getrouwheid Uws heils.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.
4Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddelozen, van de hand desgenen, die verkeerdelijk handelt, en des opgeblazenen.
15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth, op de Scheminith.
14Geef mij weder de vreugde Uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.
22Toen was ik onvernuftig, en wist niets; ik was een groot beest bij U.
21Maar Gij, o HEERE Heere! maak het met mij om Uws Naams wil; dewijl Uw goedertierenheid goed is, verlos mij.
19Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.
1Davids Schiggajon, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.
50HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?
13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. [ (Psalms 39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij. ]
18Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.
2O HEERE! red mijn ziel van de valse lippen, van de bedriegelijke tong.
17Laat Uw aangezicht over Uw knecht lichten; verlos mij door Uw goedertierenheid.
9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
4Zij scherpen hun tong, als een slang; heet addervergift is onder hun lippen. Sela.
7Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
8Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
13Want Hij zoekt de bloedstortingen, Hij gedenkt derzelve; Hij vergeet het geroep der ellendigen niet.