Psalmen 69:7

Statenvertaling (States Bible)

Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jer 15:15 : 15 O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.
  • Ps 44:22 : 22 Zou God zulks niet onderzoeken? Want Hij weet de verborgenheden des harten.
  • Jes 50:6 : 6 Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.
  • Jes 53:3 : 3 Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.
  • Ps 22:6-8 : 6 Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden. 7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk. 8 Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:
  • Ps 44:15 : 15 Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.
  • Matt 26:67-68 : 67 Toen spogen zij in Zijn aangezicht, en sloegen Hem met vuisten. 68 En anderen gaven Hem kinnebakslagen, zeggende: Profeteer ons, Christus, wie is het, die U geslagen heeft?
  • Matt 27:29-30 : 29 En een kroon van doornen gevlochten hebbende, zetten die op Zijn hoofd, en een rietstok in Zijn rechter hand; en vallende op hun knieen voor Hem, bespotten zij Hem, zeggende: Wees gegroet, Gij Koning der Joden! 30 En op Hem gespogen hebbende, namen zij de rietstok en sloegen op Zijn hoofd.
  • Matt 27:38-44 : 38 Toen werden met Hem twee moordenaars gekruisigd, een ter rechter-, en een ter linker zijde. 39 En die voorbijgingen, lasterden Hem, schuddende hun hoofden, 40 En zeggende: Gij, Die den tempel afbreekt, en in drie dagen opbouwt, verlos Uzelven. Indien Gij de Zone Gods zijt, zo kom af van het kruis. 41 En desgelijks ook de overpriesters met de Schriftgeleerden, en ouderlingen, en Farizeen, Hem bespottende, zeiden: 42 Anderen heeft Hij verlost, Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israels is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. 43 Hij heeft op God betrouwd; dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon. 44 En hetzelfde verweten Hem ook de moordenaars, die met Hem gekruisigd waren.
  • Luk 23:11 : 11 En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.
  • Luk 23:35-37 : 35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods. 36 En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik; 37 En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.
  • Joh 15:21-24 : 21 Maar al deze dingen zullen zij doen om Mijns Naams wil, omdat zij Hem niet kennen, Die Mij gezonden heeft. 22 Indien Ik niet gekomen ware, en tot hen gesproken had, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hun zonde. 23 Die Mij haat, die haat ook Mijn Vader. 24 Indien Ik de werken onder hen niet had gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beiden Mij en Mijn Vader gehaat.
  • Heb 12:2 : 2 Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke, voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen, en schande veracht, en is gezeten aan de rechter hand des troons van God.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 69:5-6
    2 verzen
    82%

    5Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

    6O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

  • Ps 69:19-20
    2 verzen
    82%

    19Nader tot mijn ziel, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

    20Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.

  • Ps 69:8-11
    4 verzen
    81%

    8Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.

    9Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.

    10Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.

    11En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

  • Ps 44:15-16
    2 verzen
    79%

    15Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot een hoofdschudding onder de volken.

    16Mijn schande is den gansen dag voor mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij;

  • Jes 50:6-7
    2 verzen
    76%

    6Ik geef Mijn rug dengenen, die Mij slaan, en Mijn wangen dengenen, die Mij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.

    7Want de Heere HEERE helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden.

  • Ps 89:50-51
    2 verzen
    76%

    50HEERE! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?

    51Gedenk, HEERE! aan de smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.

  • 3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

  • 25Nog ben ik hun een smaad; als zij mij zien, zo schudden zij hun hoofd.

  • 26Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.

  • 17Verhoor mij, o HEERE, want Uw goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid Uwer barmhartigheden.

  • 22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.

  • 11Want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijn jaren van zuchten; mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid, en mijn beenderen zijn doorknaagd.

  • 12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.

  • 16Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.

  • Ps 22:6-7
    2 verzen
    72%

    6Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.

    7Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

  • 29Laat mijn tegenstanders met schande bekleed worden, en dat zij met hun beschaamdheid zich bedekken, als met een mantel.

  • 78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.

  • Dan 9:7-8
    2 verzen
    72%

    7Bij U, o Heere! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is te deze dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, zij tegen U overtreden hebben.

    8O Heere! bij ons is de beschaamdheid der aangezichten, bij onze koningen, bij onze vorsten, en bij onze vaders, omdat wij tegen U gezondigd hebben.

  • 6En ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood, om mijn aangezicht tot U op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld is groot geworden tot aan den hemel.

  • 8En nu, wat verwacht ik, o HEERE! Mijn hoop, die is op U.

  • 42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.

  • 15O HEERE! Gij weet het, gedenk mijner, en bezoek mij, en wreek mij van mijn vervolgers; neem mij niet weg in Uw lankmoedigheid over hen; weet, dat ik om Uwentwil versmaadheid drage.

  • 13Laat hen beschaamd worden, laat hen verteerd worden, die mijn ziel tegen zijn; laat hen met smaad en schande overdekt worden, die mijn kwaad zoeken.

  • 3Gimel. Ja, allen, die U verwachten, zullen niet beschaamd worden; zij zullen beschaamd worden, die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.

  • 2Haast U, o God, om mij te verlossen, o HEERE, tot mijn hulp.

  • 9Ik zal des HEEREN gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigd; totdat Hij mijn twist twiste, en mijn recht uitvoere; Hij zal mij brengen aan het licht; ik zal mijn lust zien aan Zijn gerechtigheid.

  • 12En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.

  • 6Doch Hij heeft mij tot een spreekwoord der volken gesteld; zodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

  • 4Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

  • 14Het behage U, HEERE! mij te verlossen; HEERE! haast U tot mijn hulp.

  • 26Zo zal Ik ook uw zomen ontbloten boven uw aangezicht, en uw schande zal gezien worden.

  • 10Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

  • 10Zij gapen met hun mond tegen mij; zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

  • 51Gij moogt zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt; omdat uitlandsen over de heiligdommen van des HEEREN huis gekomen zijn;

  • 16Mijn aangezicht is gans bemodderd van wenen, en over mijn oogleden is des doods schaduw.

  • 7Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.

  • 46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.

  • 8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

  • 30Jod. Hij geve zijn wang dien, die hem slaat, hij worde zat van smaad.

  • 39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.