Psalmen 119:42
Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
43En ruk het woord der waarheid van mijn mond niet al te zeer, want ik hoop op Uw rechten.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
38Bevestig Uw toezeggingen aan Uw knecht, die Uw vreze toegedaan is.
39Wend mijn smaadheid af, die ik vreze, want Uw rechten zijn goed.
40Zie, ik heb een begeerte tot Uw bevelen; maak mij levend door Uw gerechtigheid.
41Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o HEERE! Uw heil, naar Uw toezegging;
114Gij zijt mijn Schuilplaats en mijn Schild; op Uw Woord heb ik gehoopt.
74Die U vrezen, zullen mij aanzien, en zich verblijden, omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
49Zain. Gedenk des woords, tot Uw knecht gesproken, op hetwelk Gij mij hebt doen hopen.
50Dit is mijn troost in mijn ellende, want Uw toezegging heeft mij levend gemaakt.
169Thau. O HEERE! laat mijn geschrei voor Uw aanschijn genaken, maak mij verstandig naar Uw woord.
170Laat mijn smeken voor Uw aanschijn komen, red mij naar Uw toezegging.
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
116Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope.
161Schin. De vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak; maar mijn hart heeft gevreesd voor Uw woord.
162Ik ben vrolijk over Uw toezegging, als een, die een groten buit vindt.
4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
5Opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht; mijn tegenpartijders zich verheugen, wanneer ik zou wankelen.
15Ja, ik ben als een man, die niet hoort, en in wiens mond geen tegenredenen zijn.
45En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik Uw bevelen gezocht heb.
46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.
14Want ik hoorde de naspraak van velen; vreze is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij raadslaan; zij denken mijn ziel te nemen.
3Mijn verspieders zoeken mij den gansen dag op te slokken; want ik heb veel bestrijders, o Allerhoogste!
4Ten dage, als ik zal vrezen, zal ik op U vertrouwen.
10Dan zullen mijn vijanden achterwaarts keren, ten dage als ik roepen zal; dit weet ik, dat God met mij is.
11In God zal ik het woord prijzen; in den HEERE zal ik het woord prijzen.
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
6Dan zou ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zou op al Uw geboden.
56Dat is mij geschied, omdat ik Uw bevelen bewaard heb.
76Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
78Laat de hovaardigen beschaamd worden, omdat zij mij met leugen nedergestoten hebben; doch ik betracht Uw geboden.
79Laat hen tot mij keren, die U vrezen, en die Uw getuigenissen kennen.
7Ik haat degenen, die op valse ijdelheden acht nemen, en ik betrouw op den HEERE.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
69De hovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd; doch ik bewaar Uw bevelen van ganser harte.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
31Ik kleef vast aan Uw getuigenissen; o HEERE! beschaam mij niet.
95De goddelozen hebben op mij gewacht, om mij te doen vergaan; ik neem acht op Uw getuigenissen.
58Ik heb Uw aanschijn ernstelijk gebeden van ganser harte, wees mij genadig naar Uw toezegging.
146Ik heb U aangeroepen, verlos mij, en ik zal Uw getuigenissen onderhouden.
147Ik ben de morgen schemering voorgekomen, en heb geschrei gemaakt; op Uw woord heb ik gehoopt.
10Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?
82Mijn ogen zijn bezweken van verlangen naar Uw toezegging, terwijl ik zeide: Wanneer zult Gij mij vertroosten?
1Een gouden kleinood van David. Bewaar mij, o God! want ik betrouw op U.
7Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israels!
10Zelfs de man mijns vredes, op welken ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grotelijks verheven.
16Ik zal mijzelven vermaken in Uw inzettingen; Uw woord zal ik niet vergeten.
7Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdelijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.