Job 20:3
Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
42Opdat ik mijn smader wat heb te antwoorden, want ik vertrouw op Uw woord.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
3Gij hebt nu tienmaal mij schande aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
1Ik stond op mijn wacht, en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien, wat Hij in mij spreken zou, en wat ik antwoorden zou op mijn bestraffing.
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
14Ik daarentegen ben als een dove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijn mond niet opendoet.
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
4Ik ben het, die zijn vriend een spot is, maar roepende tot God, Die hem verhoort; de rechtvaardige en oprechte is een spot.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
1Maar Job antwoordde en zeide:
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
19Zekerlijk, nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt, ik ben beschaamd, ja, ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.
4De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
61Schin. HEERE! Gij hebt hun smaden gehoord, en al hun gedachten tegen mij;
1Maar Job antwoordde en zeide:
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
1Aleph. Ik ben de man, die ellende gezien heeft door de roede Zijner verbolgenheid.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
10Want ik heb gehoord de naspraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; al mijn vredegenoten nemen acht op mijn hinking; zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen, en onze wraak van hem nemen.
10Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.