Job 16:3
Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
4Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?
2Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.
34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
2Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?
3Ik heb aangehoord een bestraffing, die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
1Maar Job antwoordde en zeide:
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
1Maar Job antwoordde en zeide:
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.