Job 33:5
Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
6Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
4De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
5Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
7Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht?
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
8Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.
1Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
10Uit zijn mond gaan fakkelen, vurige vonken raken er uit.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
1Maar Job antwoordde en zeide:
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.