Job 38:3
Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
9Dan zal Ik ook u loven, omdat uw rechterhand u zal verlost hebben.
10Zie nu Behemoth, welken Ik gemaakt heb nevens u; hij eet hooi, gelijk een rund.
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
5Wie heeft haar maten gezet, want gij weet het; of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
18Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedte der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.
19Waar is de weg, daar het licht woont? En de duisternis, waar is haar plaats?
20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
21Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uw dagen zijn veel in getal.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
17Gij dan, gord uw lendenen, en maakt u op, en spreek tot hen alles, wat Ik u gebieden zal; wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat Ik u voor hun aangezicht niet versla.
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
33Zal het van u zijn, hoe Hij iets vergelden zal, dewijl gij Hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
7Zijt gij de eerste een mens geboren? Of zijt gij voor de heuvelen voortgebracht?
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
3Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.
33Weet gij de verordeningen des hemels, of kunt gij deszelfs heerschappij op de aarde bestellen?
34Kunt gij uw stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
1Maar Job antwoordde en zeide:
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?