Job 40:6

Statenvertaling (States Bible)

Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 38:1 : 1 Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
  • Ps 50:3-4 : 3 Onze God zal komen en zal niet zwijgen; een vuur voor Zijn aangezicht zal verteren, en rondom Hem zal het zeer stormen. 4 Hij zal roepen tot den hemel van boven, en tot de aarde, om Zijn volk te richten.
  • Heb 12:18-20 : 18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijken berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, 19 En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gedaan worden. 20 (Want zij konden niet dragen, hetgeen er geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijl doorschoten worden.
  • 2 Petr 3:10-12 : 10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruis zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken, die daarin zijn, zullen verbranden. 11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid! 12 Verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 38:1-3
    3 verzen
    95%

    1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

    2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?

    3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.

  • Job 40:1-5
    5 verzen
    88%

    1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

    2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

    3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

    4Hebt gij een arm gelijk God? En kunt gij, gelijk Hij, met de stem donderen?

    5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • Job 40:7-8
    2 verzen
    79%

    7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

    8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 9Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende winden de koude.

  • 7Toen zeide de HEERE tot den satan; Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

  • 2Want Job antwoordde en zeide:

  • 14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.

  • 9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1Verder antwoordde Elihu, en zeide:

  • Job 1:19-20
    2 verzen
    72%

    19En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

    20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • Job 33:31-32
    2 verzen
    71%

    31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

    32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

  • 2Toen zeide de HEERE tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den HEERE, en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

  • 11En Hij zeide: Ga uit, en sta op dezen berg, voor het aangezicht des HEEREN. En ziet, de HEERE ging voorbij, en een grote en sterke wind, scheurende de bergen, en brekende de steenrotsen, voor den HEERE henen; doch de HEERE was in den wind niet; en na dezen wind een aardbeving; de HEERE was ook in de aardbeving niet;

  • 16Hij stond, doch ik kende zijn gedaante niet; een beeltenis was voor mijn ogen; er was stilte, en ik hoorde een stem, zeggende:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • 23Ziet, een onweder des HEEREN, een grimmigheid is uitgegaan, een aanhoudend onweder; het zal blijven op het hoofd der goddelozen.

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1En het woord des HEEREN geschiedde tot mij, zeggende:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 1Elihu ging nog voort, en zeide:

  • 1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  • 1En des HEEREN woord geschiedde tot mij, zeggende:

  • 22Als van het noorden het goud komt; maar bij God is een vreselijke majesteit!