Job 36:1

Statenvertaling (States Bible)

Elihu ging nog voort, en zeide:

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 35:1-2
    2 verzen
    91%

    1Elihu antwoordde verder, en zeide:

    2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

  • Job 34:1-2
    2 verzen
    88%

    1Verder antwoordde Elihu, en zeide:

    2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • 2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.

  • Job 32:2-7
    6 verzen
    76%

    2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.

    3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.

    4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.

    5Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.

    6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.

    7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • Job 40:1-3
    3 verzen
    74%

    1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

    2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

    3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  • Job 40:5-6
    2 verzen
    70%

    5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!

    6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

  • 7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • 2Want Job antwoordde en zeide:

  • 1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

  • Job 33:31-32
    2 verzen
    69%

    31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

    32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

  • 4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.

  • 3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:

  • 16Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:

  • 17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.

  • 36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.

  • 13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

  • 10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.