Job 4:1
Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2Zal ook een man Gode voordelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordelig zijn.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Elihu antwoordde verder, en zeide:
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
1Elihu ging nog voort, en zeide:
2Want Job antwoordde en zeide:
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
11Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
36De kinderen van Elifaz waren Theman, en Omar, Zefi, en Gaetham, Kenaz, en Timna, en Amalek.
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.
3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.
5Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.
6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, en Gaetam, en Kenaz.
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,