Job 11:1
Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
2Daarom doen mijn gedachten mij antwoorden, en over zulks is mijn verhaasten in mij.
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2Hoe lang is het, dat gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
2Want Job antwoordde en zeide:
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
11Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
1Elihu antwoordde verder, en zeide:
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
1Elihu ging nog voort, en zeide:
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.
3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;
34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?