Job 21:34

Statenvertaling (States Bible)

Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 16:2 : 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.
  • Job 32:3 : 3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
  • Job 42:7 : 7 Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
  • Job 13:4 : 4 Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 16:1-3
    3 verzen
    75%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.

    3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?

  • Job 15:11-12
    2 verzen
    72%

    11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?

    12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?

  • 18Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?

  • 12Ziet, gij zelve allen hebt het gezien; en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?

  • 33De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt na zich alle mensen; en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal.

  • Job 21:1-2
    2 verzen
    71%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 25Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?

  • 28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.

  • 3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

  • 22Omdat gijlieden het hart des rechtvaardigen door valsheid hebt bedroefd gemaakt, daar Ik hem geen smart aangedaan heb; en omdat gij de handen des goddelozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijn bozen weg niet afkeren zou, dat Ik hem in het leven behield;

  • 21Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.

  • 3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.

  • 28Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 8Ziet, gij vertrouwt u op valse woorden, die geen nut doen.

  • Job 16:5-6
    2 verzen
    68%

    5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.

    6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

  • Job 19:1-2
    2 verzen
    68%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?

  • 10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • 4Want gewisselijk, gij zijt leugenstoffeerders; gij allen zijt nietige medicijnmeesters.

  • 21Schin. Zij horen, dat ik zucht, maar ik heb geen trooster; al mijn vijanden horen mijn kwaad; en zij zijn vrolijk, dat Gij het gedaan hebt; als Gij den dag zult voortgebracht hebben, dien Gij uitgeroepen hebt, zo zullen zij zijn, gelijk ik ben.

  • 20Gij weet mijn versmaadheid, en mijn schaamte, en mijn schande; al mijn benauwers zijn voor U.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 15Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen?

  • 16Ain. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet af van water, omdat de trooster, die mijn ziel zou verkwikken, verre van mij is; mijn kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.

  • 15Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 67%

    2Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 29Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?

  • 3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?

  • 19Deze twee dingen zijn u wedervaren, wie heeft medelijden met u? Er is verwoesting, en verbreking, en honger, en zwaard, door wien zal Ik u troosten?

  • 12Als ik nu acht op u gegeven heb, ziet, er is niemand, die Job overreedde, die uit ulieden zijn redenen beantwoordde;

  • 5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

  • 28Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.

  • 14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 29Terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen, die van de goddelozen verslagen zijn, welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid.

  • 6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?