Job 24:25
Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?
Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
24Zij zijn een weinig tijds verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt; gelijk alle anderen worden zij besloten; en gelijk de top ener aar worden zij afgesneden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
28Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
34Hoe vertroost gij mij dan met ijdelheid, dewijl in uw antwoorden overtreding overig is?
15Ziet, zij zeggen tot mij: Waar is het woord des HEEREN? Laat het nu komen!
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
3Zet toch bij, stel mij een borg bij U; wie zal hij zijn? Dat in mijn hand geklapt worde.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
20Of dat dezen zelf zeggen of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor den raad stond;
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.
4Dat zij verre. Doch God zij waarachtig, maar alle mens leugenachtig; gelijk als geschreven is: Opdat Gij gerechtvaardigd wordt in Uw woorden, en overwint, wanneer Gij oordeelt.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
5Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
18Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
7Want indien de waarheid Gods door mijn leugen overvloediger is geworden, tot Zijn heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld?
24Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen;
25Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
13De HEERE zal richten tussen mij en tussen u, en de HEERE zal mij wreken aan u; maar mijn hand zal niet tegen u zijn.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
6Ik moet liegen in mijn recht; mijn pijl is smartelijk zonder overtreding.
16Want op U, HEERE! hoop ik; Gij zult verhoren, HEERE, mijn God!
15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
38Zo mijn land tegen mij roept, en zijn voren te zamen wenen;
39Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
27Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.
12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.
29Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?
11Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
3Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.
24Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedervallen.
4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
22Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
31Wie zal hem in het aangezicht zijn weg vertonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden?
15Zo ik goddeloos ben, wee mij! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen; ik ben zat van schande, maar aanzie mijn ellende.
5Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
13En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen.