Job 13:19

Statenvertaling (States Bible)

Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jes 50:7-8 : 7 Want de Heere HEERE helpt Mij, daarom word Ik niet te schande; daarom heb Ik Mijn aangezicht gesteld als een keisteen, want Ik weet, dat Ik niet zal beschaamd worden. 8 Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.
  • Jer 20:9 : 9 Dies zeide ik: Ik zal Zijner niet gedenken, en niet meer in Zijn Naam spreken; maar het werd in mijn hart als een brandend vuur, besloten in mijn beenderen; en ik bemoeide mij om te verdragen, maar konde niet.
  • Rom 8:33 : 33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het, Die rechtvaardig maakt.
  • Job 7:11 : 11 Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
  • Job 10:8 : 8 Uw handen doen mij smart aan, hoewel zij mij gemaakt hebben, te zamen rondom mij zijn zij, en Gij verslindt mij.
  • Job 13:13 : 13 Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
  • Job 19:5 : 5 Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
  • Job 33:5-7 : 5 Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u. 6 Zie, ik ben Godes, gelijk gij; uit het leem ben ik ook afgesneden. 7 Zie, mijn verschrikking zal u niet beroeren, en mijn hand zal over u niet zwaar zijn.
  • Job 33:32 : 32 Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 9:19-20
    2 verzen
    83%

    19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?

    20Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.

  • 18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

  • Job 13:13-15
    3 verzen
    81%

    13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.

    14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?

    15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.

  • Job 23:4-7
    4 verzen
    79%

    4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.

    5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.

    6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.

    7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.

  • 20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

  • 4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?

  • 8Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.

  • Job 7:11-12
    2 verzen
    77%

    11Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.

    12Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?

  • Job 10:1-2
    2 verzen
    77%

    1Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

    2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.

  • Job 9:14-15
    2 verzen
    77%

    14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?

    15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.

  • 6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.

  • 8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  • 21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

  • 5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • Job 9:27-28
    2 verzen
    76%

    27Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

    28Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

  • Job 33:31-32
    2 verzen
    75%

    31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

    32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

  • 7Ziet, ik roep, geweld! doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch er is geen recht.

  • 3Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.

  • 19Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?

  • 35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

  • 13Waarom hebt gij tegen Hem getwist? Want Hij antwoordt niet van al Zijn daden.

  • 6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

  • 2Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.

  • 14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.

  • 19HEERE! luister naar mij, en hoor naar de stem mijner twisters.

  • 2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.

  • 15Wat zal ik spreken? Gelijk Hij het mij heeft toegezegd, alzo heeft Hij het gedaan; ik zal nu al zoetjes voorttreden al mijn jaren, vanwege de bitterheid mijner ziel.

  • 32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

  • 5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.

  • 14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?

  • 24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?

  • 25Indien het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen?