Job 23:4
Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;
18Ziet nu, ik heb het recht ordentelijk gesteld; ik weet, dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
36Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.
37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
3Verdraagt mij, en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
19Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.
4Zou ik ook, als gijlieden, spreken, indien uw ziel ware in mijner ziele plaats? Zou ik woorden tegen u samenhopen, en zou ik over u met mijn hoofd schudden?
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
8Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
13Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij.
14Waarom zou ik mijn vlees in mijn tanden nemen, en mijn ziel in mijn hand stellen?
15Ziet, zo Hij mij doodde, zou ik niet hopen? Evenwel zal ik mijn wegen voor Zijn aangezicht verdedigen.
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
1Maar Job antwoordde en zeide:
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
2Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen, dat er nog redenen voor God zijn.
3Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijn Schepper gerechtigheid toewijzen.
35Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.
23Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!
14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.
17Ik zal mijn deel ook antwoorden, ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.
2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
8Hij is nabij, Die Mij rechtvaardigt, wie zal met Mij twisten? Laat ons te zamen staan; wie heeft een rechtzaak tegen Mij? hij kome herwaarts tot Mij.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?