Job 6:8

Statenvertaling (States Bible)

Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 6:11-13 : 11 Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou? 12 Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal? 13 Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
  • Job 17:14-16 : 14 Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster! 15 Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? 16 Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs, als er rust te zamen in het stof wezen zal.
  • Ps 119:81 : 81 Caph. Mijn ziel is bezweken van verlangen naar Uw heil; op Uw woord heb ik gehoopt.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 6:9-11
    3 verzen
    85%

    9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!

    10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

    11Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?

  • Job 31:35-36
    2 verzen
    77%

    35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.

    36Zou ik het niet op mijn schouder dragen? Ik zou het op mij binden als een kroon.

  • Job 23:3-7
    5 verzen
    76%

    3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;

    4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.

    5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.

    6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.

    7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.

  • 23Och, of nu mijn woorden toch opgeschreven wierden. Och, of zij in een boek ook wierden ingetekend!

  • Job 6:2-4
    3 verzen
    76%

    2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!

    3Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.

    4Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

  • 7Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.

  • 9Ik ben verzwakt, en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruis mijns harten.

  • 21Och, mocht men rechten voor een man met God, gelijk een kind des mensen voor zijn vriend.

  • 18Mijn verkwikking is in droefenis; mijn hart is flauw in mij.

  • 13Och, of Gij mij in het graf verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

  • 8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

  • 20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;

  • 2Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!

  • 7Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:

  • 6Vrees en beving komt mij aan, en gruwen overdekt mij;

  • Job 7:15-16
    2 verzen
    71%

    15Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.

    16Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.

  • 5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;

  • 36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.

  • 13Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders. [ (Psalms 39:14) Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij. ]

  • 22Thau. Laat al hun kwaad voor Uw aangezicht komen, en doe hun, gelijk als Gij mij gedaan hebt vanwege al mijn overtredingen; want mijn zuchtingen zijn vele, en mijn hart is mat.

  • 6Zo ik spreek, mijn smart wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

  • 21Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij, mijn vrienden! want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

  • 3Nu dan, HEERE! neem toch mijn ziel van mij; want het is mij beter te sterven dan te leven.

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 5Och, dat mijn wegen gericht werden, om Uw inzettingen te bewaren!

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 24Want voor mijn brood komt mijn zuchting; en mijn brullingen worden uitgestort als water.

  • 8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.

  • 1Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog een springader van tranen! zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen van de dochter mijns volks.

  • 22Mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijn pijp af!

  • 8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.

  • Ps 6:2-3
    2 verzen
    69%

    2O HEERE, straf mij niet in Uw toorn, en kastijd mij niet in Uw grimmigheid!

    3Wees mij genadig, HEERE, want ik ben verzwakt; genees mij, HEERE, want mijn beenderen zijn verschrikt.

  • 18En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

  • 1Mijn geest is verdorven, mijn dagen worden uitgeblust, de graven zijn voor mij.

  • 20Mijn ziel is verbroken vanwege het verlangen naar Uw oordelen te aller tijd.

  • 6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.

  • 17Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zou wankelen, zo zouden zij zich tegen mij groot maken.

  • 19Hij heeft mij in het slijk geworpen, en ik ben gelijk geworden als stof en as.

  • 9En mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands; Gij hebt mijn voeten doen staan in de ruimte.