Job 11:5
Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
11Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er enige zaak bij u?
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
4Want gij hebt gezegd: Mijn leer is zuiver, en ik ben rein in uw ogen.
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
4Ik zou het recht voor Zijn aangezicht ordentelijk voorstellen, en mijn mond zou ik met verdedigingen vervullen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
5Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?
35Och, of ik een hadde, die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat de Almachtige mij antwoorde, en dat mijn tegenpartij een boek schrijve.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
5Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.
16Maar tot den goddeloze zegt God: Wat hebt gij Mijn inzettingen te vertellen, en neemt Mijn verbond in uw mond?
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
20Zal het Hem verteld worden, als ik zo zou spreken? Denkt iemand dat, gewisselijk, hij zal verslonden worden.
8Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
9En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
2Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten, waarover Gij met mij twist.
3Is het U goed, dat Gij verdrukt, dat Gij verwerpt den arbeid Uwer handen, en over den raad der goddelozen schijnsel geeft?
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
24Waarom verbergt Gij Uw aangezicht, en houdt mij voor Uw vijand?
11Maar toch strek nu Uw hand uit, en tast aan alles, wat hij heeft; zo hij U niet in Uw aangezicht zal zegenen?
2Zo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nochtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?
5Ziet mij aan, en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.
20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
21Deze dingen doet gij, en Ik zwijg; gij meent, dat Ik te enenmale ben, gelijk gij; Ik zal u straffen, en zal het ordentelijk voor uw ogen stellen.
16Zo heeft Job in ijdelheid zijn mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.