Job 42:7

Statenvertaling (States Bible)

Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 2:11 : 11 Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.
  • Job 4:1 : 1 Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
  • Job 8:1 : 1 Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
  • Job 11:1 : 1 Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
  • Job 11:5-6 : 5 Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende; 6 En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
  • Job 32:2-3 : 2 Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God. 3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.
  • Job 32:5 : 5 Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.
  • Ps 51:4 : 4 Was mij wel van mijn ongerechtigheid, en reinig mij van mijn zonde.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 42:8-10
    3 verzen
    86%

    8Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

    9Toen gingen Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet, henen, en deden, gelijk als de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het aangezicht van Job aan.

    10En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.

  • Job 32:1-5
    5 verzen
    80%

    1Toen hielden de drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijn ogen rechtvaardig was.

    2Zo ontstak de toorn van Elihu, den zoon van Baracheel, den Buziet, van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijn ziel meer rechtvaardigde dan God.

    3Zijn toorn ontstak ook tegen zijn drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nochtans Job verdoemden.

    4Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.

    5Als dan Elihu zag, dat er geen antwoord was in den mond van die drie mannen, ontstak zijn toorn.

  • Job 40:1-3
    3 verzen
    79%

    1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:

    2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.

    3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?

  • 1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • Job 27:1-2
    2 verzen
    75%

    1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

    2Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!

  • 6Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en as.

  • 1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • Job 40:6-7
    2 verzen
    75%

    6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!

    7Zie allen hoogmoedige, en breng hem ten onder; en verpletter de goddelozen in hun plaats!

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 3En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 2Want Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.

  • Job 16:1-2
    2 verzen
    74%

    1Maar Job antwoordde en zeide:

    2Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.

  • Job 1:8-9
    2 verzen
    74%

    8En de HEERE zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad.

    9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?

  • 1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 1Maar Job antwoordde en zeide:

  • 22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

  • Job 35:1-2
    2 verzen
    73%

    1Elihu antwoordde verder, en zeide:

    2Houdt gij dat voor recht, dat gij gezegd hebt: Mijn gerechtigheid is meerder dan Gods?

  • Job 33:31-32
    2 verzen
    73%

    31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

    32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

  • 13Uw woorden zijn tegen Mij te sterk geworden, zegt de HEERE; maar gij zegt: Wat hebben wij tegen U gesproken?

  • 36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.

  • 1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • Job 2:10-11
    2 verzen
    71%

    10Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als een der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.

    11Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad, dat over hem gekomen was, kwamen zij, ieder uit zijn plaats, Elifaz, de Themaniet, en Bildad, de Suhiet, en Zofar, de Naamathiet; en zij waren het eens geworden, dat zij kwamen om hem te beklagen, en om hem te vertroosten.

  • 7Maar gij hebt naar Mij niet gehoord, spreekt de HEERE; opdat gij Mij vertoorndet door het werk uwer handen, u zelven ten kwade.

  • 1Verder antwoordde Elihu, en zeide:

  • 7Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor Hem bedriegerij spreken?