Job 29:1
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
2Zo waarachtig als God leeft, Die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige, Die mijner ziel bitterheid heeft aangedaan!
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
2Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
1En de HEERE antwoordde Job uit een onweder, en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Daarna opende Job zijn mond, en vervloekte zijn dag.
2Want Job antwoordde en zeide:
1Toen antwoordde Job den HEERE, en zeide:
2Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!
3Zult gij ook Mijn oordeel te niet maken? Zult Gij Mij verdoemen, opdat gij rechtvaardig zijt?
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
1Elihu antwoordde verder, en zeide:
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
1Elihu ging nog voort, en zeide:
1Daarna antwoordde de HEERE Job uit een onweder, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
36Mijn Vader, laat Job beproefd worden tot het einde toe, om zijner antwoorden wil onder de ongerechtige lieden.
20Toen stond Job op, en scheurde zijn mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde, en boog zich neder;
21En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De HEERE heeft gegeven, en de HEERE heeft genomen; de Naam des HEEREN zij geloofd!
22In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.
1Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
5Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid!
6Strooi de verbolgenheden uws toorns uit, en zie allen hoogmoedige, en verneder hem!
7Het geschiedde nu, nadat de HEERE die woorden tot Job gesproken had, dat de HEERE tot Elifaz, den Themaniet, zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u, en tegen uw twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
1Toen antwoordde Zofar, de Naamathiet, en zeide:
9Toen antwoordde de satan den HEERE, en zeide: Is het om niet, dat Job God vreest?
10En de HEERE wendde de gevangenis van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden; en de HEERE vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zoveel.
14Neem dit, o Job, ter ore; sta, en aanmerk de wonderen Gods.
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Toen antwoordde Elifaz, de Themaniet, en zeide:
5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen.
5Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
1Wijders geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende:
1Verder geschiedde des HEEREN woord tot mij, zeggende: