Job 29:5
Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1En Job ging voort zijn spreuk op te heffen, en zeide:
2Och, of ik ware, gelijk in de vorige maanden, gelijk in de dagen, toen God mij bewaarde!
3Toen Hij Zijn lamp deed schijnen over mijn hoofd, en ik bij Zijn licht de duisternis doorwandelde;
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
6Toen ik mijn gangen wies in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;
7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
29Toen Hij der zee haar perk zette, opdat de wateren Zijn bevel niet zouden overtreden; toen Hij de grondvesten der aarde stelde;
30Toen was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen, te aller tijd voor Zijn aangezicht spelende;
31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
25Aleer de bergen ingevest waren, voor de heuvelen was Ik geboren.
26Hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden, noch de aanvang van de stofjes der wereld.
27Toen Hij de hemelen bereidde, was Ik daar; toen Hij een cirkel over het vlakke des afgronds beschreef;
5Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;
26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
20Zijn mijn dagen niet weinig? Houd op, zet van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke;
18Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zo spreken zij mij tegen.
24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
6Zou Hij naar de grootheid Zijner macht met mij twisten? Neen; maar Hij zou acht op mij slaan.
7Daar zou de oprechte met Hem pleiten; en ik zou mij in eeuwigheid van mijn Rechter vrijmaken.
18(Want van mijn jonkheid af is hij bij mij opgetogen, als bij een vader, en van mijner moeders buik af heb ik haar geleid;)
25Zo ik blijde ben geweest, omdat mijn vermogen groot was, en omdat mijn hand geweldig veel verkregen had;
26Zo ik het licht aangezien heb, wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande;
3Zo lang als mijn adem in mij zal zijn, en het geblaas Gods in mijn neus;
16Want God heeft mijn hart week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;
17Omdat ik niet uitgedelgd ben voor de duisternis, en dat Hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.
23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
5Hoewel mijn huis alzo niet is bij God, nochtans heeft Hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wel geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil, en alle lust, hoewel Hij het nog niet doet uitspruiten.
15Indien ik zou zeggen: Ik zal ook alzo spreken; ziet, zo zou ik trouweloos zijn aan het geslacht Uwer kinderen.
12Hierbij weet ik, dat Gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.
14(Want wat zou ik doen, als God opstond? En als Hij bezoeking deed, wat zou ik Hem antwoorden?
14Want Hij zal volbrengen, dat over mij bescheiden is; en diergelijke dingen zijn er vele bij Hem.
15Den blinden was ik tot ogen, en den kreupelen was ik tot voeten.
15Of met de vorsten, die goud hadden, die hun huizen met zilver vervulden.
16Of als een verborgene misdracht, zou ik niet zijn; als de kinderkens, die het licht niet gezien hebben.
21Zo ik mijn hand tegen den wees bewogen heb, omdat ik in de poort mijn hulp zag;
10Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
4Waar waart gij, toen Ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.
2Waartoe zou mij ook geweest zijn de krachten hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan.
10Doch Hij kent den weg, die bij mij is; Hij beproeve mij; als goud zal ik uitkomen.
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
15Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.
16Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.
23Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest; van den aanvang, van de oudheden der aarde aan.