Job 8:5
Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.
7Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.
8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.
23Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;
3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
4Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.
25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;
26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.
14Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.
15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.
7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?
3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;
5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.
1Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?
5Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.
17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.
9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
10Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
6Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
8Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.
3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?
29Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.
14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.
26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.
18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
6Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam.
4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.
3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;
5Maar indien gij uw wegen en uw handelingen waarlijk zult goed maken; indien gij waarlijk zult recht doen tussen den man en tussen zijn naaste;
28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.