Job 8:5

Statenvertaling (States Bible)

Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 11:13 : 13 Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.
  • Matt 7:7-8 : 7 Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden. 8 Want een iegelijk, die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.
  • Heb 3:7-8 : 7 Daarom, gelijk de Heilige Geest zegt: Heden, indien gij Zijn stem hoort, 8 Zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn;
  • Jak 4:7-9 : 7 Zo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden. 8 Naakt tot God, en Hij zal tot u naken. Reinigt de handen, gij zondaars, en zuivert de harten, gij dubbelhartigen! 9 Gedraagt u als ellendigen, en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uw blijdschap in bedroefdheid. 10 Vernedert u voor den Heere, en Hij zal u verhogen.
  • Job 22:21-30 : 21 Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen. 22 Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart. 23 Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten. 24 Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken; 25 Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn; 26 Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen. 27 Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen. 28 Als gij een zaak besluit, zo zal zij u bestendig zijn; en op uw wegen zal het licht schijnen. 29 Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhoging; dan zal God den nederige van ogen behouden. 30 Ja, Hij zal dien bevrijden, die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.
  • Jes 55:6-7 : 6 Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. 7 De goddeloze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijn gedachten; en hij bekere zich tot den HEERE, zo zal Hij Zich Zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldiglijk.
  • 2 Kron 33:12-13 : 12 En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des HEEREN, zijns Gods, ernstelijk aan, en vernederde zich zeer voor het aangezicht van den God zijner vaderen, 13 En bad Hem; en Hij liet Zich van hem verbidden, en hoorde zijn smeking, en Hij bracht hem weder te Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse, dat de HEERE God is.
  • Job 5:8 : 8 Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 8:6-8
    3 verzen
    86%

    6Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.

    7Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.

    8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.

  • 23Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.

  • 8Doch ik zou naar God zoeken, en tot God mijn aanspraak richten;

  • Job 8:3-4
    2 verzen
    77%

    3Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?

    4Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.

  • Job 22:25-27
    3 verzen
    77%

    25Ja, de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn, en uw krachtig zilver zijn;

    26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.

    27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.

  • Job 11:13-15
    3 verzen
    76%

    13Indien gij uw hart bereid hebt, zo breid uw handen tot Hem uit.

    14Indien er ondeugd in uw hand is, doe die verre weg; en laat het onrecht in uw tenten niet wonen.

    15Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen, en niet vrezen.

  • Job 11:5-7
    3 verzen
    73%

    5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;

    6En u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn in wezen! Daarom weet, dat God voor u vergeet van uw ongerechtigheid.

    7Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

  • 3Maar ik zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

  • 5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.

  • Spr 2:3-5
    3 verzen
    72%

    3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;

    4Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten;

    5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.

  • 1Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

  • 5Toen de Almachtige nog met mij was, en mijn jongens rondom mij;

  • 15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.

  • 21En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

  • 17Zie, gelukzalig is de mens, denwelken God straft; daarom verwerp de kastijding des Almachtigen niet.

  • Job 27:9-10
    2 verzen
    71%

    9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?

    10Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?

  • 6Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.

  • 5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;

  • 6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?

  • 8Daarom neemt nu voor ulieden zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot Mijn knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat Mijn knecht Job voor ulieden bidden; want zekerlijk, Ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat Ik aan ulieden niet doe naar uw dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van Mij gesproken, gelijk Mijn knecht Job.

  • 3Is het voor den Almachtige nuttigheid, dat gij rechtvaardig zijt; of gewin, dat gij uw wegen volmaakt?

  • 32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

  • 5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.

  • 6Dat Gij onderzoekt naar mijn ongerechtigheid, en naar mijn zonde verneemt?

  • 29Dan zult gij van daar den HEERE, uw God, zoeken, en vinden; als gij Hem zoeken zult met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

  • 14Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult Hem niet aanschouwen; er is nochtans gericht voor Zijn aangezicht, wacht gij dan op Hem.

  • 26Hij zal tot God ernstiglijk bidden, Die in hem een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien; want Hij zal den mens zijn gerechtigheid wedergeven.

  • 18En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?

  • 22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

  • 8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!

  • 6Namelijk, de HEERE, de God der heirscharen; HEERE is Zijn gedenknaam.

  • 4Ja, gij vernietigt de vreze, en neemt het gebed voor het aangezicht Gods weg.

  • 3Och, of ik wist, dat ik Hem vinden zou, ik zou tot Zijn stoel komen;

  • 5Maar indien gij uw wegen en uw handelingen waarlijk zult goed maken; indien gij waarlijk zult recht doen tussen den man en tussen zijn naaste;

  • 28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;

  • 6Was niet uw vreze Gods uw hoop, en de oprechtheid uwer wegen uw verwachting?

  • 13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.

  • 32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.