Job 5:1
Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?
Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
2Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.
28Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden; zij zullen Mij vroeg zoeken, maar zullen Mij niet vinden;
5Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
12Daar roepen zij; maar Hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der bozen.
9Dan zult gij roepen, en de HEERE zal antwoorden; gij zult schreeuwen, en Hij zal zeggen: Ziet, hier ben Ik. Zo gij uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken des vingers, en het spreken der ongerechtigheid;
5Zo gij kunt, antwoord mij; schik u voor mijn aangezicht, stel u.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
10Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller tijd?
32Zo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
1Maar Job antwoordde en zeide:
41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.
24Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
4Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
3Roep tot Mij, en Ik zal u antwoorden, en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
4Ik zal u antwoord geven, en uw vrienden met u.
5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.
6Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen Hem? Indien uw overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij Hem?
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
14Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
15Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
12Dan zult gij Mij aanroepen, en henengaan, en tot Mij bidden; en Ik zal naar u horen.
1Maar Job antwoordde en zeide:
16Pe. Wend U tot mij, en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
7In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.
10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
15En roept Mij aan in den dag der benauwdheid; Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eren.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
19Wie is hij, die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zo zou ik den geest geven.
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
42Zij zagen uit, maar er was geen verlosser; naar den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.
6Zoekt den HEERE, terwijl Hij te vinden is; roept Hem aan, terwijl Hij nabij is.
1Maar Job antwoordde en zeide:
1Maar Job antwoordde en zeide:
5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
20Ik schrei tot U, maar Gij antwoordt mij niet; ik sta, maar Gij acht niet op mij.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.