Spreuken 8:4
Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
20De opperste Wijsheid roept overluid daar buiten; Zij verheft haar stem op de straten.
21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
24Dewijl Ik geroepen heb, en gijlieden geweigerd hebt; Mijn hand uitgestrekt heb, en er niemand was, die opmerkte;
3Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad:
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2Als ik roep, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid! In benauwdheid hebt Gij mij ruimte gemaakt; wees mij genadig, en hoor mijn gebed.
9De stem des HEEREN roept tot de stad (want Uw Naam ziet het wezen): Hoort de roede, en wie ze besteld heeft!
31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
1Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?
15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
22Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
15Dat Gij zoudt roepen, en ik U zou antwoorden, dat Gij tot het werk Uwer handen zoudt begerig zijn.
2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
18Ik zeide in mijn hart van de positie der mensenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn aan zichzelven.
13O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen.
10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
4Als ik Uw hemel aanzie, het werk Uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt;
9Staat op, gij geruste vrouwen, hoort mijn stem; gij dochters, die zo zeker zijt, neemt mijn redenen ter ore.
3Gord nu, als een man, uw lenden, zo zal Ik u vragen, en onderricht Mij.
4Is (mij aangaande) mijn klacht tot den mens? Doch of het zo ware, waarom zou mijn geest niet verdrietig zijn?
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
4Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
4Daarom profeteer tegen hen; profeteer, o mensenkind!