Spreuken 8:34
Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
35Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.
31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
2Op de spits der hoge plaatsen, aan den weg, ter plaatse, waar paden zijn, staat Zij;
3Aan de zijde der poorten, voor aan de stad, aan den ingang der deuren roept Zij overluid:
4Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
13Welgelukzalig is de mens, die wijsheid vindt, en de mens, die verstandigheid voortbrengt!
6Want door het venster van mijn huis, door mijn tralie keek ik uit;
21Zij roept in het voorste der woelingen; aan de deuren der poorten spreekt Zij Haar redenen in de stad;
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.
14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;
15Om te roepen degenen, die op den weg voorbijgaan, die hun paden recht maken, zeggende:
16Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:
17Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
4Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts! Tot de verstandeloze zegt Zij:
8Welgelukzalig zijn uw mannen, welgelukzalig deze uw knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uw wijsheid horen!
4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
28Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
1Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
8Die verstand bekomt, heeft zijn ziel lief; hij neemt de verstandigheid waar, om het goede te vinden.
19Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
10O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.
12Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.
1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;
32Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte; ik zag het, en nam onderwijzing aan;
7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
13O gij bewoonster der hoven! de metgezellen merken op uw stem; doe ze Mij horen.
31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.