Spreuken 8:6
Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
8Al de redenen Mijns monds zijn in gerechtigheid; er is niets verdraaids, noch verkeerds in.
9Zij zijn alle recht voor dengene, die verstandig is, en rechtmatig voor degenen, die wetenschap vinden.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Zie nu, ik heb mijn mond opengedaan; mijn tong spreekt onder mijn gehemelte.
3Mijn redenen zullen de oprechtigheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen, wat zuiver is, uitspreken.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
13De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der koningen; en elkeen van hen zal liefhebben dien, die rechte dingen spreekt.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
2Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
8Open uw mond voor den stomme, voor de rechtzaak van allen, die omkomen zouden.
9Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht.
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
30Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
172Mijn tong zal spraak houden van Uw rede, want al Uw geboden zijn rechtvaardigheid.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
3HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
15Zo zal ik de overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
1Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.
2Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
1Een onderwijzing, een lied der liefde, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schoschannim.