Job 6:25
O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
26Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
3Zal er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzo antwoordt?
24Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.
1Een zacht antwoord keert de grimmigheid af; maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
3Hoe hebt gij hem geraden, die geen wijsheid heeft, en de zaak, alzo zij is, ten volle bekend gemaakt?
4Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
11Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen.
12Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.
4Is het om uw vreze, dat Hij u bestraft, dat Hij met u in het gericht komt?
2Hoe lang zult gijlieden mijn ziel bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
17Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart; maar die de bestraffing verlaat, doet dwalen.
10De prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der waarheid.
37Want uit uw woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uw woorden zult gij veroordeeld worden.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.
6Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uw lippen getuigen tegen u.
10De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderd maal te slaan.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
6Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.
30Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
12En zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn hart de bestraffing versmaad!
25Sla de spotter, zo zal de slechte kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.
25En gij al Mijn raad verworpen, en Mijn bestraffing niet gewild hebt;
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
5Ik zou u versterken met mijn mond, en de beweging mijner lippen zou zich inhouden.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
2Gord nu als een man uw lenden; Ik zal u vragen, en onderricht Mij.
2Zou de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zou een klapachtig man recht hebben?
3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.
1Een man, die, dikwijls bestraft zijnde, den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden, zodat er geen genezen aan zij.
2Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
25Maar voor degenen, die hem bestraffen, zal liefelijkheid zijn; en de zegen des goeds zal op hem komen.
8Verberg hen te zamen in het stof; verbind hun aangezichten in het verborgen!
11Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?
5Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen mij, en mijn smaad tegen mij drijft;
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.