Job 12:11
Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?
Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
30Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?
7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
10In Wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
5Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?
6Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?
7Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.
12Het gebod Zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen Zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
11Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?
13Eet honig, mijn zoon! want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte.
25O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
17Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat, in de buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?
8Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.
11Als een oor mij hoorde, zo hield het mij gelukzalig; als mij een oog zag, zo getuigde het van mij.
12Indien het kwaad in zijn mond zoet is, hij dat verbergt, onder zijn tong,
13Hij dat spaart, en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt;
10Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
103Hoe zoet zijn Uw redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijn mond!
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
12Een horend oor, en een ziend oog heeft de HEERE gemaakt, ja, die beide.
1Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de Verstandigheid Haar stem?
7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
9Zou Hij, Die het oor plant, niet horen? zou Hij, Die het oog formeert, niet aanschouwen?
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
2Hoort met aandacht de beweging Zijner stem, en het geluid, dat uit Zijn mond uitgaat!
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.
21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
10Waarzegging is op de lippen des konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.