Job 22:22
Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21Gewen u toch aan Hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.
19Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
21Om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid; opdat gij de redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen, die u zenden.
23Zo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uw tenten.
24Dan zult gij het goud op het stof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken;
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
20Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
10Verder zeide Hij tot mij: Mensenkind, vat al Mijn woorden, die Ik tot u spreken zal, in uw hart, en hoor ze met uw oren.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
26Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.
27Gij zult tot Hem ernstiglijk bidden, en Hij zal u verhoren; en gij zult uw geloften betalen.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
5Maar gewisselijk, och, of God sprak, en Zijn lippen tegen u opende;
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
5Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
22Als gij wandelt, zal dat u geleiden; als gij nederligt, zal het over u de wacht houden; als gij wakker wordt, zal hetzelve met u spreken.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.