Spreuken 4:2
Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
3Want ik was mijns vaders zoon, teder, en een enige voor het aangezicht mijner moeder.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
2Bewaar mijn geboden, en leef, en mijn wet als den appel uwer ogen.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
4Zeg dan tot hen: Zo zegt de HEERE: Zo gijlieden naar Mij niet zult horen, dat gij wandelt in Mijn wet, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb;
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?
4Gedenk der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hen bevolen heb op Horeb aan gans Israel, der inzettingen en rechten.
13Grijp de tucht aan, laat niet af; bewaar ze, want zij is uw leven.
4Die de wet verlaten, prijzen de goddelozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
8Ik zal Uw inzettingen bewaren; verlaat mij niet al te zeer.
30En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
2Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede.
4HEERE! Gij hebt geboden, dat men Uw bevelen zeer bewaren zal.
5Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven.
13En de HEERE zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben;
34Geef mij het verstand, en ik zal Uw wet houden; ja, ik zal ze onderhouden met gansen harte.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
11Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
23Want het gebod is een lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens;
11Mijn zoon! verwerp de tucht des HEEREN niet, en wees niet verdrietig over Zijn kastijding;
14Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.
102Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd.
4En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.
14Ook gebood mij de HEERE ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
66Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan Uw geboden geloofd.
11Dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uw vaders Mij verlaten hebben, spreekt de HEERE, en hebben andere goden nagewandeld, en die gediend, en zich voor die nedergebogen; maar Mij verlaten, en Mijn wet niet gehouden hebben;