Psalmen 34:11

Statenvertaling (States Bible)

Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 32:8 : 8 Ik zal u onderwijzen, en u leren van den weg, dien gij gaan zult; Ik zal raad geven, Mijn oog zal op u zijn.
  • Ps 111:10 : 10 Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.
  • Spr 1:7 : 7 De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
  • Spr 8:17 : 17 Ik heb lief, die Mij liefhebben; en die Mij vroeg zoeken, zullen Mij vinden.
  • Spr 8:32 : 32 Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
  • Spr 22:6 : 6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
  • Pred 11:9-12:1 : 9 Verblijd u, o jongeling! in uw jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer ogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht. 10 Zo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vlees, want de jeugd, en de jonkheid is ijdelheid. 1 En gedenk aan de Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve.
  • Jes 28:9 : 9 Wien zou Hij dan de kennis leren, en wien zou Hij het gehoorde te verstaan geven? Den gespeenden van de melk, den afgetrokkenen van de borsten?
  • Matt 18:2-4 : 2 En Jezus een kindeken tot Zich geroepen hebbende, stelde dat in het midden van hen; 3 En zeide: Voorwaar zeg Ik u: Indien gij u niet verandert, en wordt gelijk de kinderkens, zo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan. 4 Zo wie dan zichzelven zal vernederen, gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen.
  • Marc 10:14-16 : 14 Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods. 15 Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan. 16 En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.
  • Joh 13:33 : 33 Kinderkens, nog een kleinen tijd ben Ik bij u. Gij zult Mij zoeken, en gelijk Ik den Joden gezegd heb: Waar Ik heenga, kunt gij niet komen; alzo zeg Ik ulieden nu ook.
  • 2 Tim 3:15 : 15 En dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is.
  • Spr 2:1-9 : 1 Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt; 2 Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt; 3 Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid; 4 Zo gij haar zoekt als zilver, en naspeurt als verborgen schatten; 5 Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden. 6 Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand. 7 Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen; Hij is een Schild dengenen, die oprechtelijk wandelen; 8 Opdat zij de paden des rechts houden; en Hij zal den weg Zijner gunstgenoten bewaren. 9 Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
  • Spr 4:1 : 1 Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
  • Spr 7:24 : 24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
  • Ps 66:16 : 16 Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 10Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;

  • 77%

    12Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.

    13En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen den HEERE, uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om dat te erven.

  • Spr 4:1-2
    2 verzen
    76%

    1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.

    2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.

  • 12Mem. Wie is de man, die den HEERE vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg, dien hij zal hebben te verkiezen.

  • Spr 14:26-27
    2 verzen
    75%

    26In de vreze des HEEREN is een sterk vertrouwen, en Hij zal Zijn kinderen een Toevlucht wezen.

    27De vreze des HEEREN is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

  • Ps 34:9-10
    2 verzen
    75%

    9Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.

    10Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.

  • 24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

  • 32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.

  • 10Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

  • 10De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid, en de wetenschap der heiligen is verstand.

  • 4Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.

  • 11Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.

  • Spr 1:7-8
    2 verzen
    73%

    7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.

    8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;

  • 7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

  • 11Leer mij, HEERE! Uw weg; ik zal in Uw waarheid wandelen; verenig mijn hart tot de vreze Uws Naams.

  • 5Dan zult gij de vreze des HEEREN verstaan, en zult de kennis van God vinden.

  • 33Maar die naar Mij hoort, zal zeker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreze des kwaads.

  • 16Komt, hoort toe, o allen gij, die God vreest, en ik zal vertellen, wat Hij aan mijn ziel gedaan heeft.

  • 33De vreze des HEEREN is de tucht der wijsheid; en de nederigheid gaat voor de eer.

  • 13De vreze des HEEREN is, te haten het kwade, de hovaardigheid, en den hoogmoed, en den kwaden weg; Ik haat ook den mond der verkeerdheden.

  • 23De vreze des HEEREN is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten; met het kwaad zal men niet bezocht worden.

  • 15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.

  • 29Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te allen dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!

  • 8Laat de ganse aarde voor den HEERE vrezen; laat alle inwoners van de wereld voor Hem schrikken.

  • 1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.

  • 7Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent, gij volk, in welks hart Mijn wet is! vreest niet de smaadheid van den mens, en voor hun smaadredenen ontzet u niet.

  • 13Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.

  • 1Hoort het woord, dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels!

  • 4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.

  • 24Vreest slechts den HEERE, en dient Hem trouwelijk met uw ganse hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft!

  • 12Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.

  • 10Zij zullen den HEERE achterna wandelen, Hij zal brullen als een leeuw, wanneer Hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen.

  • 11Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

  • 11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

  • 23Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.

  • 3En Zijn rieken zal zijn in de vreze des HEEREN; en Hij zal naar het gezicht Zijner ogen niet richten; Hij zal ook naar het gehoor Zijner oren niet bestraffen.

  • 13Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tot Mij nadert met zijn mond, en zij Mij met hun lippen eren, doch hun hart verre van Mij doen; en hun vreze, waarmede zij Mij vrezen, mensengeboden zijn, die hun geleerd zijn;

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • 6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

  • 3Want ieder zal zijn moeder en zijn vader vrezen, en Mijn sabbatten houden; Ik ben de HEERE, uw God!

  • 12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.

  • 70%

    1Hoort dit woord, dat de HEERE tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israel! namelijk tegen het ganse geslacht, dat Ik uit Egypteland heb opgevoerd, zeggende:

  • 33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.

  • 70%

    4En gij vaders, verwekt uw kinderen niet tot toorn, maar voedt hen op in de lering en vermaning des Heeren.

  • 14Samech. De verborgenheid des HEEREN is voor degenen, die Hem vrezen; en Zijn verbond, om hun die bekend te maken.