Spreuken 8:32

Statenvertaling (States Bible)

Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 119:1-2 : 1 Aleph. Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de wet des HEEREN gaan. 2 Welgelukzalig zijn zij, die Zijn getuigenissen onderhouden, die Hem van ganser harte zoeken;
  • Luk 11:28 : 28 Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.
  • Ps 128:1 : 1 Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.
  • Spr 5:7 : 7 Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
  • Spr 7:24 : 24 Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
  • Ps 1:1-4 : 1 Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters; 2 Maar zijn lust is in des HEEREN wet, en hij overdenkt Zijn wet dag en nacht. 3 Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken, die zijn vrucht geeft op zijn tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet, zal wel gelukken. 4 Alzo zijn de goddelozen niet, maar als het kaf, dat de wind henendrijft.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.

  • 7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.

  • Spr 8:33-35
    3 verzen
    79%

    33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.

    34Welgelukzalig is de mens, die naar Mij hoort, dagelijks wakende aan Mijn poorten, waarnemende de posten Mijner deuren.

    35Want die Mij vindt, vindt het leven, en trekt een welgevallen van den HEERE.

  • Spr 4:1-2
    2 verzen
    78%

    1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.

    2Dewijl ik ulieden goede leer geve, verlaat mijn wet niet.

  • Spr 4:20-21
    2 verzen
    78%

    20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.

    21Laat ze niet wijken van uw ogen, behoud ze in het midden uws harten.

  • 8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;

  • 1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.

  • 8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.

  • Spr 2:1-2
    2 verzen
    77%

    1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;

    2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;

  • 26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.

  • 1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;

  • Spr 4:10-11
    2 verzen
    76%

    10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.

    11Ik onderwijs u in den weg der wijsheid; ik doe u treden in de rechte sporen.

  • 1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.

  • 31Spelende in de wereld Zijns aardrijks, en Mijn vermakingen zijn met de mensenkinderen.

  • 11Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.

  • 1Een lied Hammaaloth. Welgelukzalig is een iegelijk, die den HEERE vreest, die in Zijn wegen wandelt.

  • 19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.

  • 28Neemt waar, en hoort al deze woorden, die ik u gebiede, opdat het u, en uw kinderen na u, welga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en recht is in de ogen des HEEREN, uws Gods.

  • 6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.

  • 15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.

  • 20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.

  • 13Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.

  • 28Maar Hij zeide: Ja, zalig zijn degenen, die het Woord Gods horen, en hetzelve bewaren.

  • 29Och, dat zij zulk een hart hadden, om Mij te vrezen, en al Mijn geboden te allen dage te onderhouden; opdat het hun en hun kinderen welging in eeuwigheid!

  • 16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.

  • 1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

  • 11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.

  • 20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.

  • 18Rijkdom en eer is bij Mij, duurachtig goed en gerechtigheid.

  • 4Ziet, alzo zal zekerlijk die man gezegend worden, die den HEERE vreest.

  • 12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.

  • 20Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;

  • 6Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening Mijner lippen zal enkel billijkheid zijn.

  • 1Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.

  • Spr 22:17-18
    2 verzen
    71%

    17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;

    18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

  • 6En houdt de geboden des HEEREN, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.

  • 7De rechtvaardige wandelt steeds in zijn oprechtheid; welgelukzalig zijn zijn kinderen na hem.

  • 8Nu dan, voor de ogen van het ganse Israel, de gemeente des HEEREN, en voor de oren onzes Gods, houdt en zoekt al de geboden des HEEREN, uws Gods; opdat gijlieden dit goede land erfelijk bezit, en uw kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.

  • 21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

  • 6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.