Spreuken 5:1
Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Mijn zoon! zo gij mijn redenen aanneemt, en mijn geboden bij u weglegt;
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
6Om te verstaan een spreuk en de uitlegging, de woorden der wijzen en hun raadselen.
7De vrees des HEEREN is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en tucht.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
10Hoor, mijn zoon! en neem mijn redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
19Hoor gij, mijn zoon! en word wijs, en richt uw hart op den weg.
2Opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uw lippen wetenschap bewaren.
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
1Mijn zoon, bewaar mijn redenen, en leg mijn geboden bij u weg.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
4Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw hart houde mijn woorden vast, onderhoud mijn geboden, en leef.
5Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet, en wijk niet van de redenen mijns monds.
1Mijn zoon! vergeet mijn wet niet, maar uw hart beware mijn geboden.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
3Om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid, en recht, en billijkheden;
26Mijn zoon! geef mij uw hart, en laat uw ogen mijn wegen bewaren.
32Nu dan, kinderen! hoort naar Mij; want welgelukzalig zijn zij, die Mijn wegen bewaren.
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
8Nu dan, mijn zoon! hoor mijn stem in hetgeen ik u gebiede.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
27Laat af, mijn zoon, horende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.
11Zijt wijs, mijn zoon, en verblijd mijn hart; opdat ik mijn smader wat te antwoorden heb.
15Mijn zoon! zo uw hart wijs is, mijn hart zal blijde zijn, ja, ik.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechiloth.
7De wijsheid is het voornaamste; verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uw bezitting.
1Een wijs zoon hoort de tucht des vaders; maar een spotter hoort de bestraffing niet.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
5Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden; maar die de bestraffing waarneemt, zal kloekzinniglijk handelen.
10Neemt Mijn tucht aan, en niet zilver, en wetenschap, meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.
31Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.
11Zo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden, de verstandigheid zal u behoeden;
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
4Zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijn zuster; en heet het verstand uw bloedvriend;
3Zowel slechten als aanzienlijken, te zamen rijk en arm!
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.