Job 34:2
Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
35Dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijn woorden niet met kloek verstand geweest zijn.
1Verder antwoordde Elihu, en zeide:
16Zo er dan verstand bij u is, hoor dit; neig de oren tot de stem mijner woorden.
17Neig uw oor, en hoor de woorden der wijzen, en stel uw hart tot mijn wetenschap;
3Want het oor proeft de woorden, gelijk het gehemelte de spijze smaakt.
33Zo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leren.
1En gewisselijk, o Job! hoor toch mijn redenen, en neem al mijn woorden ter ore.
4Om den slechten kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
2Om uw oren naar wijsheid te doen opmerken; zo gij uw hart tot verstandigheid neigt;
3Ja, zo gij tot het verstand roept, uw stem verheft tot de verstandigheid;
1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
4Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal U vragen, en onderricht Gij mij.
6Hierom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheel, den Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokouden; daarom heb ik geschroomd en gevreesd, ulieden mijn gevoelen te vertonen.
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.
12Begeef uw hart tot de tucht, en uw oren tot de redenen der wetenschap.
4Tot u, o mannen! roep Ik, en Mijn stem is tot de mensenkinderen.
5Gij slechten! verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten! verstaat met het hart.
1Neig de oren, gij hemel, en ik zal spreken; en de aarde hore de redenen mijns monds.
23Neemt ter ore en hoort mijn stem, merkt op en hoort mijn rede!
24Nu dan, kinderen, hoort naar mij, en luistert naar de redenen mijns monds.
9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
1Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.
2Om wijsheid en tucht te weten; om te verstaan redenen des verstands;
1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.
1Ziet, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord en verstaan.
2Wie is hij, die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap?
6Hoort toch mijn verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
17Hoort naarstiglijk mijn rede, en mijn aanwijzing met uw oren.
23Keert u tot Mijn bestraffing; ziet, Ik zal Mijn Geest ulieden overvloediglijk uitstorten; Ik zal Mijn woorden u bekend maken.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
33Hoort de tucht, en wordt wijs, en verwerpt die niet.
8Zeker, gij hebt gezegd voor mijn oren, en ik heb de stem der woorden gehoord;
2Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.
6Want de HEERE geeft wijsheid; uit Zijn mond komt kennis en verstand.
22Ontvang toch de wet uit Zijn mond, en leg Zijn redenen in uw hart.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
1Elihu antwoordde verder, en zeide:
31Merk op, o Job! Hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.
20Mijn zoon! merk op mijn woorden, neig uw oor tot mijn redenen.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.