Job 32:9
De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Ik zeide: Laat de dagen spreken, en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.
8Zekerlijk de geest, die in den mens is, en de inblazing des Almachtigen, maakt henlieden verstandig.
12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.
13Bij Hem is wijsheid en macht; Hij heeft raad en verstand.
13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.
6O HEERE! hoe groot zijn Uw werken! zeer diep zijn Uw gedachten.
16Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.
17De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerst.
9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?
10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
2Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zo zal de wijsheid met ulieden sterven!
3Ik heb ook een hart even als gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?
34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;
5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
10Daarom zeg ik: Hoor naar mij; ik zal mijn gevoelen ook vertonen.
12Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaats des verstands?
13De mens weet haar waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.
28Want zij zijn een volk, dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen verstand in hen.
29O, dat zij wijs waren; zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.
10Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.
26Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; er is ook geen onderzoeking van het getal Zijner jaren.
24Daarom vreze Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.
3En ik heb geen wijsheid geleerd, noch de wetenschap der heiligen gekend.
8Aanmerkt, gij onvernuftigen onder het volk! en gij dwazen! wanneer zult gij verstandig worden?
10Maar toch gij allen, keert weder, en komt nu; want ik vind onder u geen wijze.
32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
13Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij:
9De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?
13Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden.
2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.
20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?
19De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in een stad zijn.
21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.
10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.
12Zie, hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik u; want God is meerder dan een mens.
1Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid der mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid zijns aangezichts wordt daardoor veranderd.
16Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
22Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt?
5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.
7Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?
23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
20Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt Hij weg.
11Een rijk man is wijs in zijn ogen; maar de arme, die verstandig is, doorzoekt hem.
17Toen zag ik alle werk Gods, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.
9Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.
18Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;
22Zekerlijk, Mijn volk is dwaas, Mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zij zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.