Job 15:18

Statenvertaling (States Bible)

Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 8:8 : 8 Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.
  • Job 15:10 : 10 Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.
  • Ps 71:18 : 18 Daarom ook, terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o God, totdat ik dezen geslachte verkondige Uw arm, allen nakomelingen Uw macht.
  • Ps 78:3-6 : 3 Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben. 4 Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft. 5 Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israel; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken; 6 Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;
  • Jes 38:19 : 19 De levende, de levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal den kinderen Uw waarheid bekend maken.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;

  • Ps 78:3-4
    2 verzen
    78%

    3Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

    4Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

  • Job 15:8-10
    3 verzen
    76%

    8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

    9Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

    10Onder ons is ook een grijze, ja, een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.

  • 19Denwelken alleen het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging.

  • 9De wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen; ziet, zij hebben des HEEREN woord verworpen, wat wijsheid zouden zij dan hebben?

  • 17Want er is niets verborgen, dat niet openbaar zal worden; noch heimelijk, dat niet bekend zal worden, en in het openbaar komen.

  • 6Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;

  • 34De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij horen;

  • 15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?

  • 8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.

  • 3Vertelt uw kinderen daarvan, en laat het uw kinderen hun kinderen vertellen, en derzelver kinderen aan een ander geslacht.

  • 5Die wijs is, zal horen, en zal in lere toenemen; en die verstandig is, zal wijzen raad bekomen.

  • 2Hoort, gij wijzen, mijn woorden, en gij verstandigen, neigt de oren naar mij.

  • 3Wie is hij, zegt Gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zo heb ik dan verhaald, hetgeen ik niet verstond, dingen, die voor mij te wonderbaar waren, die ik niet wist.

  • 4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.

  • 6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.

  • Spr 22:19-20
    2 verzen
    70%

    19Opdat uw vertrouwen op den HEERE zij, maak ik u die heden bekend; gij ook maak ze bekend.

    20Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap?

  • 20Een wijs zoon zal den vader verblijden; maar een zot mens veracht zijn moeder.

  • 15Het hart der verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.

  • 1Hoort, gij kinderen! de tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.

  • 23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 9De groten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.

  • Jes 29:14-15
    2 verzen
    69%

    14Daarom, ziet, Ik zal voorts wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zal vergaan, en het verstand zijner verstandigen zal zich verbergen.

    15Wee dengenen, die zich diep versteken willen voor den HEERE, hun raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden, en zij zeggen: Wie ziet ons, en wie kent ons?

  • 21Mijn zoon! laat ze niet afwijken van uw ogen; bewaar de bestendige wijsheid en bedachtzaamheid.

  • 6Gij hebt het gehoord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe Ik u nieuwe dingen horen, en verborgen dingen, en die gij niet geweten hebt.

  • 12De kloekzinnige ziet het kwaad, en verbergt zich; de slechten gaan henen door, en worden gestraft.

  • 7Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.

  • 8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;

  • 12In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand.

  • 8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.

  • 15Nu, zo zijn voor mij ingebracht de wijzen en de sterrekijkers, om dit schrift te lezen, en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven.

  • 28Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des HEEREN is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand.

  • 28Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.

  • 14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.

  • 24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.

  • 17En de HEERE zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?

  • 18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.

  • 20Die wijsheid dan, van waar komt zij, en waar is de plaats des verstands?

  • 14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

  • 18De HEERE nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete; toen hebt Gij mij hun handelingen doen zien.

  • 33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.

  • 1Mijn zoon! merk op mijn wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;