Job 22:15
Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Die rimpelachtig gemaakt zijn, als het de tijd niet was; een vloed is over hun grond uitgestort;
28Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den prins, en waar is de tent van de woningen der goddelozen?
29Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op den weg, en kent gij hun tekenen niet?
30Dat de boze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheden ontvoerd worden.
13Van degenen, die de paden der oprechtheid verlaten, om te gaan in de wegen der duisternis;
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
16Want hun voeten lopen ten boze; en zij haasten zich om bloed te storten.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
15Welker paden verkeerd zijn, en afwijkende in hun sporen;
16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?
17Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?
4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
33Wat maakt gij uw weg goed, daar gij boelering zoekt? Waarom gij ook de booste hoeren uw wegen geleerd hebt.
14De wolken zijn Hem een verberging, dat Hij niet ziet; en Hij bewandelt den omgang der hemelen.
8Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?
17Maar gij hebt het gericht des goddelozen vervuld; het gericht en het recht houden u vast.
20Dat gij dat brengen zoudt tot zijn pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?
19De weg der goddelozen is als donkerheid, zij weten niet, waarover zij struikelen zullen.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
28Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.
3Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
15Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
9Gimel. Hij heeft mij wegen toegemuurd met uitgehouwen stenen, Hij heeft mijn paden verkeerd.
29Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijn weg vast.
9Efraim! wat heb Ik meer met de afgoden te doen? Ik heb hem verhoord, en zal op hem zien; Ik zal hem zijn als een groenende denneboom; uw vrucht is uit Mij gevonden. [ (Hosea 14:10) Wie is wijs? die versta deze dingen; wie is verstandig? die bekenne ze; want des HEEREN wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen. ]
10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.
11Of gij ziet de duisternis niet, en des water overvloed bedekt u.
18Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloekt is hun deel op de aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.
13Dat gij uw geest keert tegen God, en zulke redenen uit uw mond laat uitgaan.
12De rechtvaardige let verstandelijk op des goddelozen huis, als God de goddelozen in het kwaad stort.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
17Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen;
19De weg des luiaards is als een doornheg; maar het pad der oprechten is wel gebaand.
5Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
5Is niet uw boosheid groot, en uwer ongerechtigheden geen einde?
8Hij heeft mijn weg toegemuurd, dat ik niet doorgaan kan, en over mijn paden heeft Hij duisternis gesteld.
16Zo zegt de HEERE: Staat op de wegen, en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin; zo zult gij rust vinden voor uw ziel; maar zij zeggen: Wij zullen daarin niet wandelen.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
24De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.
18Want wie heeft in des HEEREN raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?