Spreuken 22:28
Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Zet de oude palen niet terug; en kom op de akkers der wezen niet;
14Gij zult uws naasten landpale, die de voorvaderen gepaald hebben, niet verrukken in uw erfdeel, dat gij erven zult, in het land, hetwelk u de HEERE, uw God, geeft, om dat erfelijk te bezitten.
26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
27Zo gij niet hadt om te betalen, waarom zou men uw bed van onder u wegnemen?
17Vervloekt zij, die zijns naasten landpale verrukt! En al het volk zal zeggen: Amen.
29Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.
2Zij tasten de landpalen aan; de kudden roven zij, en weiden ze.
15Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerechtige lieden betreden hebben?
7Nu dan, gij kinderen! hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns monds.
8Maak uw weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;
9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;
30Een man zal zijns vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijns vaders slippe niet ontdekken.
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.
27Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.
28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?
22Hoor naar uw vader, die u gewonnen heeft; en veracht uw moeder niet, als zij oud geworden is.
8Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.
17Gij zult het recht van den vreemdeling en van den wees niet buigen, en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen.
6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
15Verwerp dien, ga er niet door; wijk er van, en ga voorbij.
6Leer den jongen de eerste beginselen naar den eis zijns wegs; als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.
7Gedenk aan de dagen van ouds; merk op de jaren van elk geslacht; vraag uw vader, die zal het u bekend maken, uw ouden, en zij zullen het u zeggen.
30Gij zult een vrouw ondertrouwen, maar een ander zal haar beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; een wijngaard zult gij planten, maar dien niet gemeen maken.
7En zijt niet als uw vaders en als uw broeders, die tegen den HEERE, den God hunner vaderen, overtreden hebben; waarom Hij hen tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet.
8Mijn zoon! hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;
13Wee dien, die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijn opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hen zijn arbeidsloon niet!
27Maar dat het een getuige zij tussen ons en tussen ulieden, en tussen onze geslachten na ons, opdat wij den dienst des HEEREN voor Zijn aangezicht dienen mochten met onze brandofferen, en met onze slachtofferen, en met onze dankofferen; en dat uw kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: Gijlieden hebt geen deel aan den HEERE.
28Daarom zeiden wij: Wanneer het geschiedt, dat zij morgen alzo tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante van het altaar des HEEREN, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ten offer; maar het is een getuige tussen ons en tussen ulieden.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
20Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet.
18Hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hun vaderen niet verborgen heeft;
8Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zo zult gij op uw dak een leuning maken; opdat gij geen bloedschuld op uw huis legt, wanneer iemand, vallende, daarvan afviel.
22Beroof den arme niet, omdat hij arm is; en verbrijzel den ellendige niet in de poort.
28De goden zult gij niet vloeken, en de oversten in uw volk zult gij niet lasteren.
23Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.
6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.
15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.
8Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.
9De weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der wezen zijn verbrijzeld.
18Maar gij zult gedenken den HEERE, uw God, dat Hij het is, Die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat Hij Zijn verbond bevestige, dat Hij aan uw vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is.
11Wacht u, dat gij den HEERE, uw God, niet vergeet, dat gij niet zoudt houden Zijn geboden, en Zijn rechten, en Zijn inzettingen, die ik u heden gebiede;
12Opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben, en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben, en die bewonen,
3Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
17Laat ze de uwe alleen zijn, en van geen vreemde met u.
21Als een erfenis in het eerste verhaast wordt, zo zal haar laatste niet gezegend worden.