Spreuken 25:6
Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
8Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zou mogen beschaamd hebben.
28Zet de oude palen niet terug, die uw vaderen gemaakt hebben.
29Hebt gij een man gezien, die vaardig in zijn werk is? Hij zal voor het aangezicht der koningen gesteld worden; voor het aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.
5Doe den goddelozen weg van het aangezicht des konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.
2Ik zeg: Neem acht op de mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods.
3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
1Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.
2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.
6Een dwaas wordt gezet in grote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte.
5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
6Verhoogt uw hoorn niet omhoog; spreekt niet met stijven hals.
10De weelde staat een zot niet wel; hoeveel te min een knecht te heersen over vorsten!
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
8Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;
21Mijn zoon! vrees den HEERE en den koning; vermeng u niet met hen, die naar verandering staan;
18Zeg tot den koning en tot de koningin: Vernedert u, zet u neder; want uw ganse hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid, is nedergedaald.
1Als gij aangezeten zult zijn om met een heerser te eten, zo zult gij scherpelijk letten op dengene, die voor uw aangezicht is.
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
6Doe niet tot Zijn woorden, opdat Hij u niet bestraffe, en gij leugenachtig bevonden wordt.
9Opdat gij anderen uw eer niet geeft, en uw jaren den wrede;
11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.
21Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike!
2Gij zult de menigte tot boze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in een twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.
3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.
16De gift des mensen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der groten.
1Wees niet te snel met uw mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
2Want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzo de stem des zots door de veelheid der woorden.
12En wie zichzelven verhogen zal, die zal vernederd worden; en wie zichzelven zal vernederen, die zal verhoogd worden.
5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.
4Als de geest des heersers tegen u oprijst, verlaat uw plaats niet; want het is medicijn, het stilt grote zonden.
10Opdat degene, die het hoort, u niet smade; want uw kwaad gerucht zou niet afgekeerd worden.
3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.
18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.
19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
10Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
3Doe nu dit, mijn zoon! en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt; ga, onderwerp uzelven, en sterk uw naaste.
11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?
26Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.
23Zo zegt de HEERE: Een wijze beroeme zich niet in zijn wijsheid, en de sterke beroeme zich niet in zijn sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijn rijkdom;
10Ga in den rotssteen, en verberg u in het stof, vanwege den schrik des HEEREN, en om de heerlijkheid Zijner majesteit.
28In de menigte des volks is des konings heerlijkheid; maar in gebrek van volk is eens vorsten verstoring.
3Geeft aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uw wegen, om koningen te verdelgen.
10Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
21Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.
27Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.
17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.