Job 32:21

Statenvertaling (States Bible)

Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike!

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Lev 19:15 : 15 Gij zult geen onrecht doen in het gericht; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch het aangezicht des groten voortrekken; in gerechtigheid zult gij uw naaste richten.
  • Job 13:8 : 8 Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?
  • Job 34:19 : 19 Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.
  • Matt 22:16 : 16 En zij zonden uit tot Hem hun discipelen, met de Herodianen, zeggende: Meester! wij weten, dat Gij waarachtig zijt, en de weg Gods in der waarheid leert, en naar niemand vraagt; want Gij ziet den persoon der mensen niet aan;
  • Hand 12:22-23 : 22 En het volk riep hem toe: Een stem Gods, en niet eens mensen! 23 En van stonde aan sloeg hem een engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf; en hij werd van de wormen gegeten, en gaf den geest.
  • Hand 24:2-3 : 2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende: 3 Dat wij grote vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten deze volke geschieden door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan.
  • Spr 24:23 : 23 Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.
  • Job 13:10 : 10 Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.
  • Deut 1:17 : 17 Gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen; gij zult den kleine, zowel als den grote, horen; gij zult niet vrezen voor iemands aangezicht; want het gericht is Godes; doch de zaak, die voor u te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze horen.
  • Deut 16:19 : 19 Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.
  • 2 Sam 14:17 : 17 Wijders zeide uw dienstmaagd: Het woord mijns heren, des konings, zij toch tot rust; want gelijk een Engel Gods, alzo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en de HEERE, uw God, zal met u zijn.
  • 2 Sam 14:20 : 20 Dat ik de gestalte dezer zaak alzo omwenden zou, zulks heeft uw knecht Joab gedaan; doch mijn heer is wijs, naar de wijsheid van een Engel Gods, om te merken alles, wat op de aarde is.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 22Want ik weet geen bijnamen te gebruiken; in kort zou mijn Maker mij wegnemen.

  • 19Hoe dan tot Dien, Die het aangezicht der vorsten niet aanneemt, en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen Zijner handen werk.

  • 21De aangezichten te kennen, is niet goed; want een man zal om een stuk broods overtreden.

  • 5Het is niet goed, het aangezicht des goddelozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.

  • Job 32:13-14
    2 verzen
    71%

    13Opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden; God heeft hem nedergestoten, geen mens.

    14Nu heeft hij tegen mij geen woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.

  • 6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;

  • 2Laat u een vreemde prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uw lippen.

  • Job 13:10-11
    2 verzen
    69%

    10Hij zal u gewisselijk bestraffen, zo gij in het verborgene het aangezicht aanneemt.

    11Zal u niet Zijn hoogheid verschrikken, en Zijn vreze over u vallen?

  • Spr 30:7-10
    4 verzen
    69%

    7Twee dingen heb ik van U begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:

    8Ijdelheid en leugentaal doe verre van mij; armoede of rijkdom geef mij niet; voed mij met het brood mijns bescheiden deels;

    9Opdat ik, zat zijnde, U dan niet verloochene, en zegge: Wie is de HEERE? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele, en den Naam mijns Gods aantaste.

    10Achterklap niet van den knecht bij zijn heer, opdat hij u niet vloeke, en gij schuldig wordt.

  • 20Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijn lippen openen, en zal antwoorden.

  • 4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.

  • Job 31:28-30
    3 verzen
    69%

    28Dat ware ook een misdaad bij den rechter; want ik zou den God van boven verzaakt hebben.

    29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;

    30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).

  • Job 13:20-21
    2 verzen
    69%

    20Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

    21Doe Uw hand verre van op mij, en Uw verschrikking make mij niet verbaasd.

  • 11Strek Uw goedertierenheid uit over degenen, die U kennen, en Uw gerechtigheid over de oprechten van hart.

  • 41Ik neem geen eer van mensen;

  • 23Deze spreuken zijn ook van de wijzen. Het aangezicht in het gericht te kennen, is niet goed.

  • Job 27:4-5
    2 verzen
    68%

    4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!

    5Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.

  • 21Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt.

  • 3Ook zult gij den geringe niet voortrekken en zijn twistige zaak.

  • 34Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;

  • 4Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.

  • 1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.

  • 29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.

  • 8Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?

  • 11Want er is geen aanneming des persoons bij God.

  • 5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.

  • 32Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.

  • 18Opdat het de HEERE niet zie, en het kwaad zij in Zijn ogen en Hij Zijn toorn van hem afkere.

  • 28De goden zult gij niet vloeken, en de oversten in uw volk zult gij niet lasteren.

  • 19Gij zult het gericht niet buigen; gij zult het aangezicht niet kennen; ook zult gij geen geschenk nemen; want het geschenk verblindt de ogen der wijzen, en verkeert de woorden der rechtvaardigen.

  • Job 34:31-32
    2 verzen
    67%

    31Zekerlijk heeft hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal het niet verderven.

    32Behalve wat ik zie, leer Gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

  • 27Ten ware, dat Ik de toornigheid des vijands schroomde, dat niet hun tegenpartijen zich vreemd mochten houden; dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest; de HEERE heeft dit alles niet gewrocht.

  • 1Een psalm van David, om te doen gedenken.

  • 23Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!

  • 2En ga niet in het gericht met Uw knecht; want niemand, die leeft, zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.

  • 22Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?

  • 4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.

  • 22Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?

  • 1De naam is uitgelezener dan grote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.