Psalmen 26:4
Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.
Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
5Ik haat de vergadering der boosdoeners, en bij de goddelozen zit ik niet.
6Ik was mijn handen in onschuld, en ik ga rondom uw altaar, o HEERE!
8HEERE! ik heb lief de woning van Uw huis, en de plaats des tabernakels Uwer eer.
9Raap mijn ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds;
3Ik zal geen Belials-stuk voor mijn ogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.
4Het verkeerde hart zal van mij wijken; den boze zal ik niet kennen.
17Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen; vanwege Uw hand heb ik alleen gezeten, want Gij hebt mij met gramschap vervuld.
3Want Uw goedertierenheid is voor mijn ogen, en ik wandel in Uw waarheid.
6In Uw hand beveel ik mijn geest; Gij hebt mij verlost, HEERE, Gij, God der waarheid!
4Indien mijn lippen onrecht zullen spreken, en indien mijn tong bedrog zal uitspreken!
5Het zij verre van mij, dat ik ulieden rechtvaardigen zou; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijn oprechtigheid van mij niet wegdoen.
4Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.
22Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.
23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen, daarvan week ik niet af.
24Maar ik was oprecht voor Hem; en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.
7Wie bedrog pleegt, zal binnen mijn huis niet blijven; die leugenen spreekt, zal voor mijn ogen niet bevestigd worden.
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
9Ik heb lust, o mijn God! om Uw welbehagen te doen; en Uw wet is in het midden mijns ingewands.
10Ik boodschap de gerechtigheid in de grote gemeente; zie, mijn lippen bedwing ik niet; HEERE! Gij weet het.
21De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.
1Een psalm van David! Doe mij recht, HEERE! want ik wandel in mijn oprechtigheid; en ik vertrouw op den HEERE, ik zal niet wankelen.
4Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
3Zo ik in de tent mijns huizes inga, zo ik op de koets van mijn bed klimme!
14Kom niet op het pad der goddelozen, en treed niet op den weg der bozen.
11Maar ik wandel in mijn oprechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.
5Zo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld heeft tot bedriegerij;
1Zijt niet nijdig over de boze lieden, en laat u niet gelusten, om bij hen te zijn.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
16Ik heb toch niet aangedrongen, meer dan een herder achter U betaamde; ook heb ik den dodelijken dag niet begeerd, Gij weet het; wat uit mijn lippen is gegaan, is voor Uw aangezicht geweest.
1Welgelukzalig is de man, die niet wandelt in de raad der goddelozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;
11Aan Zijn gang heeft mijn voet vastgehouden; Zijn weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.
4Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.
24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.
101Ik heb mijn voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik Uw woord zou onderhouden.
29Zo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb, als het kwaad hem vond;
30(Ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, mits door een vloek zijn ziel te begeren).
3Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.
21Och, dat ik niemands aangezicht aanneme, en tot den mens geen bijnamen gebruike!
15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.
12Enkel verderving is binnen in haar; en list en bedrog wijkt niet van haar straat.
4Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt, en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen.
6Praal niet voor het aangezicht des konings, en sta niet in de plaats der groten;
8Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.
19Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?
16Doch hij zeide: Ik kan niet met u wederkeren, noch met u inkomen; ik zal ook geen brood eten, noch met u water drinken, in deze plaats.
22Wentel van mij versmaadheid en verachting, want ik heb Uw getuigenissen onderhouden.
1Gij zult geen vals gerucht opnemen; en stelt uw hand niet bij den goddeloze, om een getuige tot geweld te zijn.
23Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.
11Ik heb Uw rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen U niet zondigen zou.
46Ook zal ik voor koningen spreken van Uw getuigenissen, en mij niet schamen.