Spreuken 26:19

Statenvertaling (States Bible)

Alzo is een man, die zijn naaste bedriegt, en zegt: Jok ik er niet mede?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ef 5:4 : 4 Noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij, welke niet betamen; maar veelmeer dankzegging.
  • Spr 10:23 : 23 Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.
  • Spr 14:9 : 9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
  • Spr 15:21 : 21 De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
  • 2 Petr 2:13 : 13 En zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijkse weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hun bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn;

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 26:17-18
    2 verzen
    80%

    17De voorbijgaande, die zich vertoornt in een twist, die hem niet aangaat, is gelijk die een hond bij de oren grijpt.

    18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;

  • 18Een man, tegen zijn naaste een valse getuigenis sprekende, is een hamer, en zwaard, en scherpe pijl.

  • 3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.

  • Spr 26:20-22
    3 verzen
    75%

    20Als er geen hout is, gaat het vuur uit; en als er geen oorblazer is, wordt het gekijf gestild.

    21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.

    22De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

  • 23Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te plegen.

  • 5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.

  • Spr 16:27-29
    3 verzen
    74%

    27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.

    28Een verkeerd man zal krakeel inwerpen; en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

    29Een man des gewelds verlokt zijn naaste, en hij leidt hem in een weg, die niet goed is.

  • Jer 9:4-5
    2 verzen
    74%

    4Wacht u, een iegelijk van zijn vriend, en vertrouwt niet op enigen broeder; want elk broeder doet niet dan bedriegen, en elk vriend wandelt in achterklap.

    5En zij handelen bedriegelijk, een ieder met zijn vriend, en spreken de waarheid niet; zij leren hun tong leugen spreken, zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen.

  • 18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.

  • 19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.

  • Spr 24:28-29
    2 verzen
    73%

    28Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?

    29Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zo zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.

  • 19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

  • 9Zal het goed zijn, als Hij u zal onderzoeken? Zult gij met Hem spotten, gelijk men met een mens spot?

  • 19Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.

  • 3Zouden uw leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten, en niemand u beschamen?

  • Spr 26:26-28
    3 verzen
    72%

    26Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosheid zal in de gemeente geopenbaard worden.

    27Die een kuil graaft, zal er in vallen, en die een steen wentelt, op hem zal hij wederkeren.

    28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • 6Want gelijk het geluid der doornen onder een pot is, alzo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid.

  • 20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.

  • 20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.

  • 4Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding, een zaad der valsheid?

  • 8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.

  • 31Hij betrouwe niet op ijdelheid, waardoor hij verleid wordt; want ijdelheid zal zijn vergelding wezen.

  • 14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.

  • 24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.

  • 17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 3Die met zijn tong niet achterklapt, zijn metgezellen geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijn naaste;

  • 10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.

  • 2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.

  • 21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.

  • 6Mijn vijanden spreken kwaad van mij, zeggende: Wanneer zal hij sterven, en zijn naam vergaan?

  • 17Die haastig is tot toorn, zal dwaasheid doen; en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

  • 12Die verstandeloos is, veracht zijn naaste; maar een man van groot verstand zwijgt stil.

  • 1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.

  • 9Twist uw twistzaak met uw naaste; maar openbaar het heimelijke van een ander niet;

  • 8Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij lagen.

  • Spr 26:4-5
    2 verzen
    70%

    4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.

    5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.

  • 4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

  • 14Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.