Spreuken 17:4
De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
12Een Belialsmens, een ondeugdzaam man gaat met verkeerdheid des monds om;
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
24Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
20De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver; het hart der goddelozen is weinig waard.
28Een Belialsgetuige bespot het recht; en de mond der goddelozen slokt de ongerechtigheid in.
19Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.
23De goddeloze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.
12Een heerser, die op leugentaal acht geeft, al zijn dienaars zijn goddeloos.
32De lippen des rechtvaardigen weten wat welgevallig is; maar de mond der goddelozen enkel verkeerdheid.
23Brandende lippen, en een boos hart, zijn als een potscherf met schuim van zilver overtogen.
24Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijn lippen; maar in zijn binnenste stelt hij bedrog aan.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
13Mem. Wie is de man, die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft, om het goede te zien?
5De rechtvaardige haat leugentaal; maar de goddeloze maakt zich stinkende, en doet zich schaamte aan.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
17Die waarheid voortbrengt, maakt gerechtigheid bekend; maar een getuige der valsheden, bedrog.
2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
5Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal niet ontkomen.
18HEERE! laat mij niet beschaamd worden, want ik roep U aan; laat de goddelozen beschaamd worden, laat hen zwijgen in het graf.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
28Het hart des rechtvaardigen bedenkt zich, om te antwoorden; maar de mond der goddelozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.
3Want hij vleit zichzelven in zijn ogen, als men zijn ongerechtigheid bevindt, die te haten is.
2Behoud, o HEERE; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de mensenkinderen.
17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;
19Een vals getuige, die leugenen blaast; en die tussen broederen krakelen inwerpt.
7Want Mijn gehemelte zal de waarheid bedachtelijk uitspreken, en de goddeloosheid is Mijn lippen een gruwel.
3Wat zal U de bedriegelijke tong geven, of wat zal zij U toevoegen?
5Want uw mond leert uw ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.
4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.
5Een waarachtig getuige zal niet liegen; maar een vals getuige blaast leugens.
6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
9Een vals getuige zal niet onschuldig zijn; en die leugen blaast, zal vergaan.
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
19Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijn lippen verlokt.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
2Als Doeg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimelech.
8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
24Die met een dief deelt, haat zijn ziel; hij hoort een vloek, en hij geeft het niet te kennen.
4Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.
19Een waarachtige lip zal bevestigd worden in eeuwigheid; maar een valse tong is maar voor een ogenblik.
7En eens gierigaards ganse gereedschap is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt.
28Een leugenachtig getuige zal vergaan; en een man, die hoort, zal spreken tot overwinning.