Spreuken 18:7
De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.
12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.
13Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is boze dolligheid.
14De dwaas maakt wel veel woorden; maar de mens weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.
8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
18Die den haat bedekt, is van valse lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, is een zot.
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
11Een zot laat zijn gansen geest uit, maar de wijze wederhoudt dien achterwaarts.
9Spreek niet voor het oor van een zot, want hij zou het verstand uwer woorden verachten.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
7Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans; want gij zoudt bij hem geen lippen der wetenschap merken.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.
8Die wijs van hart is, neemt de geboden aan; maar die dwaas is van lippen, zal omgeworpen worden.
4Antwoord den zot naar zijn dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.
5Antwoord den zot naar zijn dwaasheid, opdat hij in zijn ogen niet wijs zij.
6Hij snijdt zich de voeten af, en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.
7Hef de benen van den kreupele op; alzo is een spreuk in den mond der zotten.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
7Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog; hij zal in de poort zijn mond niet opendoen.
2De zot heeft geen lust aan verstandigheid, maar daarin, dat zijn hart zich ontdekt.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
2Gij zijt verstrikt met de redenen uws monds; gij zijt gevangen met de redenen uws monds.
28Een dwaas zelfs, die zwijgt, zal wijs geacht worden, en die zijn lippen toesluit, verstandig.
28Een valse tong haat degenen, die zij verbrijzelt; en een gladde mond maakt omstoting.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
9Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzo is een spreuk in den mond der zotten.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
21Wie een zot genereert, die zal hem tot droefheid zijn; en de vader des dwazen zal zich niet verblijden.
27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.
3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
4De boosdoener merkt op de ongerechtige lip; een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.
16Al wie kloekzinnig is, handelt met wetenschap; maar een zot breidt dwaasheid uit.
10Die met het oog wenkt, richt smart aan; en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.
7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.
7Een voortreffelijke lip past een dwaze niet, veelmin een prins een leugenachtige lip.
14De mond der vreemde vrouwen is een diepe gracht; op welken de HEERE vergramd is, zal daarin vallen.
22De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.
20Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.