Spreuken 18:20

Statenvertaling (States Bible)

Van de vrucht van ieders mond zal zijn buik verzadigd worden; hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Spr 12:13-14 : 13 In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen. 14 Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
  • Spr 13:2 : 2 Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.
  • Spr 25:11-12 : 11 Een rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren gebeelde schalen. 12 Een wijs bestraffer bij een horend oor, is een gouden oorsiersel, en een halssieraad van het fijnste goud.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.

  • 21Dood en leven zijn in het geweld der tong; en een ieder, die ze liefheeft, zal haar vrucht eten.

  • Spr 13:2-3
    2 verzen
    81%

    2Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten; maar de ziel der trouwelozen het geweld.

    3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.

  • 14Die afkerig van hart is, zal van zijn wegen verzadigd worden; maar een goed man van zichzelven.

  • 23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!

  • 25De rechtvaardige eet tot verzadiging zijner ziel toe; maar de buik der goddelozen zal gebrek hebben.

  • 12De woorden van een wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van een zot verslinden hemzelve.

  • 21Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.

  • 4De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is een uitstortende beek.

  • Spr 16:23-24
    2 verzen
    72%

    23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.

    24Liefelijke redenen zijn een honigraat, zoet voor de ziel, en medicijn voor het gebeente.

  • 18Want het is liefelijk, als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen samen op uw lippen gepast worden.

  • Job 20:22-23
    2 verzen
    72%

    22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.

    23Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.

  • 17Het brood der leugen is den mens zoet; maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.

  • 16En mijn nieren zullen van vreugde opspringen, als uw lippen billijkheden spreken zullen.

  • 21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.

  • 7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.

  • Spr 18:6-8
    3 verzen
    71%

    6De lippen des zots komen in twist, en zijn mond roept naar slagen.

    7De mond des zots is hemzelven een verstoring, en zijn lippen een strik zijner ziel.

    8De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

  • 23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.

  • Job 20:14-15
    2 verzen
    71%

    14Zijn spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

    15Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijn buik uitdrijven.

  • 45De goede mens brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten; en de kwade mens brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.

  • Spr 23:7-8
    2 verzen
    71%

    7Want gelijk hij bedacht heeft in zijn ziel, alzo zal hij tot u zeggen: Eet en drink! maar zijn hart is niet met u;

    8Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.

  • 31De mond des rechtvaardigen brengt overvloediglijk wijsheid voort; maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

  • 26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.

  • 11De mond des rechtvaardigen is een springader des levens; maar het geweld bedekt den mond der goddelozen.

  • 4De medicijn der tong is een boom des levens; maar de verkeerdheid in dezelve is een breuk in den geest.

  • 10Zo zullen uw schuren met overvloed vervuld worden, en uw perskuipen van most overlopen.

  • 14Welker mond vol is van vervloeking en bitterheid;

  • 19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.

  • 16Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is; opdat gij misschien daarvan niet zat wordt, en dien uitspuwt.

  • 21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.

  • 30Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.

  • 18Maar die dingen, die ten monde uitgaan, komen voort uit het hart, en dezelve ontreinigen den mens.

  • 31Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.

  • 19Een broeder is wederspanniger dan een sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.

  • 20Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.

  • 23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.

  • 7Zijn mond is vol van vloek, en bedriegerijen, en list; onder zijn tong is moeite en ongerechtigheid.

  • 14Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken; maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.

  • 5Alzo zou ik U loven in mijn leven; in Uw Naam zou ik mijn handen opheffen.

  • 20De hel en het verderf worden niet verzadigd; alzo worden de ogen des mensen niet verzadigd.

  • 2De tong der wijzen maakt de wetenschap goed; maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

  • 7Een verzadigde ziel vertreedt het honigzeem; maar aan een hongerige ziel is alle bitter zoet.

  • 22De woorden des oorblazers zijn als dergenen, die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.