Spreuken 14:23
In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Goed, van ijdelheid gekomen, zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert, zal het vermeerderen.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
26De ziel des arbeidzamen arbeidt voor zichzelven; want zijn mond buigt zich voor hem.
5De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder, die haastig is, alleen tot gebrek.
6Te arbeiden om schatten met een valse tong, is een voortgedrevene ijdelheid dergenen, die den dood zoeken.
4Die met een bedriegelijke hand werkt, wordt arm; maar de hand der vlijtigen maakt rijk.
23Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze; maar daar is een, die verteerd wordt door gebrek van oordeel.
19Die zijn land bouwt, zal met brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, zal met armoede verzadigd worden.
20Een gans getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen; maar die haastig is, om rijk te worden, zal niet onschuldig wezen.
9Wat voordeel heeft hij, die werkt, van hetgeen hij arbeidt?
19In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet; maar die zijn lippen wederhoudt, is kloek verstandig.
7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
14De wijzen leggen wetenschap weg; maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.
15Des rijken goed is een stad zijner sterkte; de armoede der geringen is hun verstoring.
16Het werk des rechtvaardigen is ten leven; de inkomst des goddelozen is ter zonde.
14Het is kwaad, het is kwaad! zal de koper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.
15Goud is er, en menigte van robijnen; maar de lippen de wetenschap zijn een kostelijk kleinood.
1De arme, in zijn oprechtheid wandelende, is beter dan de verkeerde van lippen, en die een zot is.
4Vermoei u niet om rijk te worden; sta af van uw vernuft.
24Er is een, die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een, die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.
3In den mond des dwazen is een roede des hoogmoeds; maar de lippen der wijzen bewaren hen.
3Bestraffende door woorden, die niet baten, en door redenen, met dewelke hij geen voordeel doet?
16Die den arme verdrukt, om het zijne te vermeerderen, en den rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.
23Het hart eens wijzen maakt zijn mond verstandig, en zal op zijn lippen de lering vermeerderen.
21De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.
22De zegen des HEEREN, die maakt rijk; en Hij voegt er geen smart bij.
7Er is een, die zichzelven rijk maakt, en niet met al heeft, en een, die zichzelven arm maakt, en heeft veel goed.
13Of de rijkdom zelf vergaat door een moeilijke bezigheid; en hij gewint een zoon, en er is niet met al in zijn hand.
14Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, alzo zal hij naakt wederkeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijn arbeid, dat hij met zijn hand zou wegdragen.
23Een kloekzinnig mens bedekt de wetenschap; maar het hart der zotten roept dwaasheid uit.
24De hand der vlijtigen zal heersen; maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.
21Want er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in geschikkelijkheid is; nochtans zal hij die overgeven tot zijn deel, aan een mens, die daaraan niet gearbeid heeft. Dit is ook ijdelheid en een groot kwaad.
3Wat voordeel heeft de mens van al zijn arbeid, dien hij arbeidt onder de zon?
22Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.
21De wijze van hart zal verstandig genoemd worden; en de zoetheid der lippen zal de lering vermeerderen.
19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.
3Die zijn mond bewaart, behoudt zijn ziel; maar voor hem is verstoring, die zijn lippen wijd opendoet.
4De ziel des luiaards is begerig, doch er is niets; maar de ziel der vlijtigen zal vet gemaakt worden.
7De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien; maar het hart der zotten niet alzo.
11Die zijn land bouwt, zal van brood verzadigd worden; maar die ijdele mensen volgt, is verstandeloos.
23Die zijn mond en zijn tong bewaart, bewaart zijn ziel van benauwdheden.
22Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet, dat het gebrek hem overkomen zal.
6Een hand vol met rust is beter, dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.
23Een man heeft blijdschap in het antwoord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!
15Luiheid doet in diepen slaap vallen; en een bedriegelijke ziel zal hongeren.
34Zo zal uw armoede u overkomen, als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.
11Zo zal uw armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.
18Door grote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende.
14Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd; en de vergelding van des mensen handen zal hij tot zich wederbrengen.
4Goed doet geen nut ten dage der verbolgenheid; maar de gerechtigheid redt van den dood.