Spreuken 14:22
Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.
Dwalen zij niet, die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen, die goed stichten.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
20Bedrog is in het hart dergenen, die kwaad smeden; maar degenen die vrede raden, hebben blijdschap.
21Den rechtvaardigen zal geen leed wedervaren; maar de goddelozen zullen met kwaad vervuld worden.
22Valse lippen zijn den HEERE een gruwel; maar die trouwelijk handelen, zijn Zijn welgevallen.
8Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.
27Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.
4HEERE! doe den goeden wel, en dengenen, die oprecht zijn in hun harten.
1Wee dien, die ongerechtigheid bedenken, en kwaad werken op hun legers; in het licht van den morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is.
21Die zijn naaste veracht, zondigt; maar die zich der nederigen ontfermt, die is welgelukzalig.
2De goede zal een welgevallen trekken van den HEERE; maar een man van schandelijke verdichtselen zal Hij verdoemen.
7En eens gierigaards ganse gereedschap is kwaad; hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valse redenen, en het recht, als de arme spreekt.
8Maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden, en staat op milddadigheden.
17Een goedertieren mens doet zijn ziel wel; maar die wreed is, beroert zijn vlees.
18De goddeloze doet een vals werk; maar voor degene, die gerechtigheid zaait, is trouwe loon.
19Alzo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwade najaagt, naar zijn dood jaagt.
5De kwade lieden verstaan het recht niet; maar die den HEERE zoeken, verstaan alles.
6De arme, wandelende in zijn oprechtheid, is beter, dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.
21Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eer vinden.
2Want hun hart bedenkt verwoesting, en hun lippen spreken moeite.
2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.
4De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog; hij laat na te verstaan tot weldoen.
20Wie verdraaid is van hart, zal het goede niet vinden; en die verkeerd is met zijn tong, zal in het kwaad vallen.
21Het kwaad zal de zondaars vervolgen; maar den rechtvaardige zal men goed vergelden.
23In allen smartelijke arbeid is overschot; maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.
10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.
6Door goedertierenheid en trouw wordt de misdaad verzoend; en door de vreze des HEEREN wijkt men af van het kwade.
14Nun. Bewaar uw tong van het kwaad, en uw lippen van bedrog te spreken.
21Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.
14Die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden;
11Gij zult hun vrucht van de aarde verdoen, en hun zaad van de kinderen der mensen.
19De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.
29Smeed geen kwaad tegen uw naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.
2Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt, en die met zijn hart de waarheid spreekt;
20Maar mijn vijanden zijn levende, worden machtig; en die mij om valse oorzaken haten, worden groot.
11Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zo zegt de HEERE: Ziet, Ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden een gedachte; zo bekeert u nu, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw wegen en uw handelingen goed.
3Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zo eist de vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de grote spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht ineen.
13Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.
10De goddeloze heeft veel smarten, maar die op den HEERE vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.
27Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.
15Goed verstand geeft aangenaamheid; maar de weg der trouwelozen is streng.
31Die den arme verdrukt, smaadt deszelfs Maker; maar die zich des nooddruftigen ontfermt, eert Hem.
5Der rechtvaardigen gedachten zijn recht; der goddelozen raadslagen zijn bedrog.
7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.
3De oprechtheid der oprechten leidt hen; maar de verkeerdheid der trouwelozen verstoort hen.
5Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.
14In zijn hart zijn verkeerdheden, hij smeedt te aller tijd kwaad; hij werpt twisten in.
15Het is den rechtvaardige een blijdschap recht te doen; maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.
22De wens des mensen is zijn weldadigheid; maar de arme is beter dan een leugenachtig man.
30Hij sluit zijn ogen, om verkeerdheden te bedenken; zijn lippen bijtende, volbrengt hij het kwaad.
18Hij had immers hun huizen met goed gevuld; daarom is de raad der goddelozen verre van mij.